Bij het verschijnen van Bijbelse Theologie I/1

Voorzijde van het enigszins verfomfaaide exemplaar van de universiteitsbibliotheek PThU van BT I/1

In 1980 gaf Breukelman in het kader van de verschijning van Bijbelse Theologie I/1 een interview aan dagblad De Tijd. Het interview werd opgetekend door Leo Rijkens. Op een zeker punt zegt Rijkens (p. 48): “Maar nou over dat boek van je. En over die fameuze kolometrische leeswijze.” Breukelman:

Ja, kijk om te beginnen moet ik je zeggen dat ik altijd gedacht heb: dat publiceren, moet dat nou zo nodig? Dat werk van mij, als daar iets waardevols bij is, dan kan dat altijd nog wel eens postuum gepubliceerd worden. Aan de andere kant denk ik: dat is toch wel belangrijk werk waarmee ik bezig ben.

Inderdaad kwam het tijdens het leven van Breukelman met de reeks Bijbelse Theologie niet verder dan het derde deel. De andere zeven delen verschenen postuum.

Als het over de relatie tussen kerk en Bijbel gaat, vraagt Rijkens: “Biblicisme is zoiets als fundamentalisme, een EO-achtig letterlijk nemen van de Bijbel?” Breukelman antwoordt:

Biblicisme betekent dat je zegt: de kerk heeft er met haar dogma’s zoveel omheen geweven en geef mij de bijbel maar. Daarin heeft God zus en zo gesproken en nou heb je verder je bek te houden.
Maar kerk en Schrift mogen dus niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Het bijbels getuigenis kan niet anders worden uitgelegd dan met het oog op de dienst die de gemeente (de kerk dus) vanuit Israël temidden van de gojim [volkeren, GvZ] heeft te vervullen. Schrift en gemeente (kerk) zijn dus met elkaar verbonden. Het wezenlijke is het functioneren van de Schrift binnen de ecclesia [kerk, GvZ]. En dat brengt vragen mee als: de bijbelse theologie, de exegese (Schriftuitleg), het vertaalprobleem en ook hoe alle willekeur in de omgang met de Schrift tegen te gaan.

In Bijbelse Theologie I/1 beschrijft Breukelman het verband tussen de Bijbelschrijvers en de gemeente van nu een beetje anders: beiden staan onder hetzelfde verbi divini ministerium (dienst van het goddelijk woord). Beiden getuigen van de grote daden van God, zij als antecessores (vóórgangers), wij als successores (opvolgers). Alleen omdat de gemeente van nu in continuïteit staat met kerk en synagoge door alle eeuwen heen zijn zaken als exegese, Bijbelse theologie en Bijbelvertalen van zulk enorm belang.

Zie hier het complete interview.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *