Aanwinsten

Ik kocht nooit kleren. Ik kocht boeken. Heel dure boeken.

Aldus Breukelman in een interview met Hervormd Nederland. Theologen zijn bijna altijd boekliefhebbers en een beetje dominee heeft een ruimte in zijn pastorie die als privébibliotheek dienst doet.

Zelf heb ik op drie locaties (Kampen, Oldebroek, Maastricht) ook genoeg boeken staan om de komende twintig jaar mee door te komen. Toch kan ik het niet laten om af en toe wat extra papier aan te schaffen. Mijn drie jongste aanwinsten staan in het teken van mijn promotieonderzoek.

G.G. de Kruijf, Heiden, Jood en Christen: Een studie over de theologie van K.H. Miskotte (Baarn: Ten Have, 1981)

Dit proefschrift van Gerrit de Kruijf heb ik al gelezen, maar nu heb ik het ook mooi op de plank staan. De Kruijf schreef het boek ‘met het oog op een groter publiek dan alleen de academisch gevormden; ook al omdat er over Miskotte nog weinig werd gepubliceerd.’ (achterzijde).

Op pagina 209 vond ik een citaat terug waarvan ik niet meer wist waar het stond:

Bij de ‘amsterdamse school’ (F.H. Breukelman, K.A. Deurloo en anderen) gaat deze methode (van grondwoorden en structuren) zover, dat het volgens Berkhof [Hendrikus, 1914-1995)] soms wel lijkt ‘of het Woord woord geworden is in plaats van vlees’.

Dat is toch wel een heel aardige variant op Johannes 1:14!

J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), De Nederlandse Belijdenisgeschriften: In authentieke teksten met inleiding en tekstvergelijkingen (Amsterdam: Bolland, 19762 [1940])

Vroeger al gelezen in de Predikantsmaster vanwege een college van Rinse Reeling Brouwer, nu in mijn eigen boekenkast. Met goede inleidingen en geannoteerde synopsissen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Canones van Dordt.

Van de Heidelbergse Catechismus luidt de 61e vraag en het antwoord daarop bijvoorbeeld in de textus receptus (1563):

F. Warumb sagstu, dasz du allein durch den glauben gerecht seyest?
A. Nicht, dasz ich von wegen der wirdigkeyt meines glaubens Gott gefalle, sondern darumb, dasz allein die genugthuung, gerechtigkeyt und heiligkeyt Christi meine gerechtigkeyt für Gott ist und, ich dieselbe nit anderst denn allein durch den glauben annemen und mir zueignen kann.

Deze uitgave is digitaal inzichtelijk gemaakt door de universiteitsbibliotheek van Heidelberg (vraag 61). De gelijktijdig verschenen Latijnse uitgave heeft:

Q. Cur sola fide te iustum esse affirmas?
R. Non quod dignitate meae fidei Deo paceam, sed quod sola satisfactio, iustitia et sanctitas Christi mea iustitia sit coram Deo: ego vero eam non alia ratione, quam fide amplecti et mihi applicare queam. 

Hier zien we dus dat ‘für Gott’ niet ‘omwille van God’ betekent, maar ‘voor het aangezicht van God’, coram Deo, als in het Hebreeuwse לִפְנֵי יהוה. Ook deze uitgave is digitaal te raadplegen (vraag 61: p. 35).

De Nederlandse vertaling uit het Formulierenboek (1611) heeft ten slotte:

Vraghe: Waerom seght ghy dat ghy alleen door t’gheloove rechtveerdigh zijt?
Antwoorde: Niet dat ick vanweghen der weerdigheyt mijnes geloofs Gode aengenaem sy, maer daerom, dat alleen de ghenoeghdoeninghe, gerechticheyt ende heylicheyt Christi mijn gherechticheydt voor God zy, ende dat ick deselve niet anders dan alleen door t’gheloove aennemen ende my toe-eyghenen kan.

Daaraan worden dan in alle edities loci probandi toegevoegd (voor de liefhebber):

1 Korintiërs 1:30

NA27: ἐξ αὐτοῦ [scil. God] δὲ ὑμεῖς ἐστε ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ, ὃς ἐγενήθη σοφία ἡμῖν ἀπὸ θεοῦ, δικαιοσύνη τε καὶ ἁγιασμὸς καὶ ἀπολύτρωσις
Vulgaat: ex ipso autem vos estis in Christo Iesu qui factus est sapientia nobis a Deo et iustitia et sanctificatio et redemptio
NBV: Door hem (God) bent u één met Christus Jezus, die dankzij God onze wijsheid is geworden. Door Christus worden wij rechtvaardig en heilig en door hem worden wij verlost, (…)

1 Korintiërs 2:2
NA27: οὐ γὰρ ἔκρινά τι εἰδέναι ἐν ὑμῖν εἰ μὴ Ἰησοῦν Χριστὸν καὶ τοῦτον ἐσταυρωμένον.
NBV: Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde [τοῦτον ἐσταυρωμένον = en die gekruisigd zijnde].

1 Johannes 5:10
NA27: ὁ πιστεύων εἰς τὸν υἱὸν τοῦ θεοῦ ἔχει τὴν μαρτυρίαν ἐν ἑαυτῷ, ὁ μὴ πιστεύων τῷ θεῷ ψεύστην πεποίηκεν αὐτόν, ὅτι οὐ πεπίστευκεν εἰς τὴν μαρτυρίαν ἣν μεμαρτύρηκεν ὁ θεὸς περὶ τοῦ υἱοῦ αὐτοῦ.
NBV: Wie in de Zoon van God gelooft, draagt [ἔχει = heeft] het getuigenis in zich. Wie God niet gelooft, maakt hem tot leugenaar, omdat hij geen geloof hecht aan het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft.

In de eerste bewijsplaats lezen we over de iustitia et sanctificatio in Christo. De tweede bewijsplaats vind ik wat obscuur. Zou het vanwege het εἰ μὴ worden aangevoerd? De derde bewijsplaats gaat over het aannemen van het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft en bewijst dat het persoonlijk geloof de toe-eigening van dat getuigenis is.

H.W. de Knijff, Sleutel en slot: Beknopte geschiedenis van de bijbelse hermeneutiek (Kampen: Kok, 1980)

Een geschiedenis van ‘Bijbelse hermeneutiek’, ofwel een geschiedenis van de leer van de uitlegging van Bijbelteksten. De Knijff begint met Origenes, de Antiocheense richting en Augustinus en komt dan via middeleeuwen, Reformatoren en Schleiermacher in de twintigste eeuw, waar hij Barth, Heidegger, Gadamer, Bultmann en… F.H. Breukelman bespreekt. De Knijff heeft kritiek op bepaalde onderdelen van Breukelmans hermeneutiek, maar merkt ook op dat men toch moeilijk onder de erkenning uit zal kunnen, ‘dat wij hier met een hermeneutische kijk te maken hebben, welke niet aan de bijbel vreemd is.’ (160)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *