Breukelman en zijn opponenten

F.H. Breukelman, ‘In gesprek met Frans Breukelman: Van de mens moet je zeggen dat hij niet had moeten ontstaan’, HN Magazine 37 (1981), 3–4, 4:

Dat geklets van Berkhof. Dat boek. Christelijk geloof, ik ben tot bladzijde 60 gekomen. Daar komt de vraag naar de opbouw, de structuur van de dogmatiek aan de orde. Nou, zegt Berkhof dan, je kunt uitgaan van God, van de mens, je kunt zus en je kunt zo. En dan komt ook Barth even ter sprake. Dan zeg ik: hoor eens Berkhof, je hebt het over Barth of niet, maar als je het over hem hebt moet je het goed doen. (…) Dan is zo’n kleine jongen als Berkhof een hondje dat even een plasje tegen Barth doet, voelt u wel? Niet fris, niet getuigend van respect, niet wetend met wie hij te maken heeft. Berkhof weet niet zo zeker of dat wel kan, wat Barth heeft gezegd. En het is zo lastig.

Breukelman wist de controverse gemakkelijk te vinden en het lijkt erop dat zijn rol als wetenschappelijke outcast hem op het lijf geschreven was. Al in de keurige jaren ’50 wekt zijn houding irritatie op. A.R. Hulst, ‘Over de beoordeling van de Nieuwe Bijbelvertaling’, In de Waagschaal 9/16 (16 januari 1954), 126:

Een duidelijk bewijs, dat deze criticus de grens van het toelaatbare overschrijdt? In het nummer van “In de Waagschaal” van 12 Dec. 1952 wijst ds. Breukelman, dat men blijkbaar op een bepaald theologisch standpunt meent te kunnen uitmaken wat in de Schrift wel en wat niet een essentieel bestanddeel van Gods openbaring is. Kennelijk is dit standpunt niet het zijne; en terecht. zou ik zeggen. Ook ik ben met hem toch wel van mening, dat wij in de vraag naar het essentiële van Gods openbaring eerbiedig die Openbaring zelve moeten laten gelden. Intussen wordt dan toch maar door ds. Breukelman beweerd, dat de vertalers dit onjuiste standpunt wél innemen, als hij schrijft (ik citeer letterlijk): “zo hebben nu ook deze vertalers gemeend, dat deze bijbelse manier van over de tijd te spreken geen deel uitmaakt van het getuigenis der openbaring enz.” In gemoede vraag ik: weet ds. Breukelman dit heus wel zo zeker en zou hij zich niet tweemaal moeten bedenken, alvorens dergelijke en andere erge dingen toe te schrijven aan mensen, die jaren en jaren aan een hun beste krachten en de volle schat hunner philologische, historische en theologische kennis aan deze vertaalarbeid hebben gegeven?

Breukelman was met opzet niet altijd even tactisch met zijn kritiek. Tot op zekere hoogte kan ik dat wel meemaken, want het is heerlijk om te foeteren op je opponenten. Maar zeggen dat Berkhof een hondje is dat even een plasje doet tegen Barth, in een interview dat zeker door diezelfde Berkhof gelezen zal worden, dat zou ik toch niet zo snel doen. Behalve dat het voor enkele ogenblikken je hart sneller doet kloppen van academisch-polemisch genoegen win je er namelijk niets mee.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *