Categorie archief: Literatuuronderzoek

Bloemen en onkruid

Uiteindelijk heb ik de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag zover gekregen dat ze een enigszins obscuur interview voor mij hebben gekopieerd uit een kerkblad van ruim dertig jaar geleden. Het begint met bloemrijke taal:

In gesprek met drs. F. H. Breukelman, een inspirerend en gekweld theoloog. Aan de Singel, met de bloemenmarkt vlak voor zijn raam, woont de Oud-Testamenticus Frans Breukelman in een huis dat vroeger ooit een hotelletje is geweest. De vergelijking met de bloemenpracht voor zijn deur dringt zich spontaan op wie hem hoort praten (En je moet hem eigenlijk horen; schrijvenderwijs komt hij minder tot zijn recht dan in een directe dialoog). Hij is kleurrijk. Al pratend neemt hij je mee door de lusthof der theologie en plukt de mooiste bloemen voor je, die hij vervolgens lyrisch beschrijft, hen graag noemend bij hun latijnse namen. Dan weer wijst hij verontwaardigd op allerlei onkruid, dat steeds maar weer de kop op steekt. Hij staat er bij te schelden en te tieren. Vanuit zijn flamboyante aard zou hij het liefst alle onkruid met wortel en tal willen uitroeien. Maar hij heeft nu eenmaal de gelijkenis gelezen van het onkruid tussen de tarwe. Goed en kwaad zijn soms onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Vandaar toch weer mildheid, zij het als zelfoverwinning.

Lees hier het hele interview en ziehier wat mijn archiefstudie aan materiaal heeft opgeleverd. Wie helpt mij aan de 111e titel?

Harry Kuitert aanhanger van de Amsterdamse School?

Harry Kuitert anno 2011

De komende tijd wil ik interviews gaan houden met prominente theologen uit het heden en het nabije verleden. Harry Kuitert, vermoedelijk de meest invloedrijke gereformeerde theoloog gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw, mag daarbij niet ontbreken.

Kuitert heeft namelijk een zeer interessante ontwikkeling doorgemaakt als theoloog. Het is bekend dat hij door de jaren heen het christelijk geloof van heel wat onnodige ballast verlost heeft. Volgens sommigen heeft hij iets te lang doorgepeld en is er te weinig van overgebleven. Maar waar is het begonnen? Zijn proefschrift verscheen vijftig jaar geleden, in 1962: H.M. Kuitert, De mensvormigheid Gods. Een dogmatisch-hermeneutische studie over de anthropomorphismen van de Heilige Schrift (Kampen: Kok, 1962). Twee jaar later verscheen het lezenswaardige boekje De spelers en het spel (Amsterdam: Ten Have, 1964). Een aantal citaten geven een indruk van de inhoud:

In zekere zin kan men de leer der kerk in zijn geheel zo’n leeswijzer [op de heilige Schrift] noemen. Maar dan een zeer omvangrijke (en voor menigeen ook een zeer onoverzichtelijke). De ervaring bewijst bovendien dat het geleerde ook nog in staat is de oren toe te stoppen voor het ware horen. Daarom bestaat deze leeswijzer [= het boek De spelers en het spel] uit een hoeveelheid kernwoorden, spreekwijzen en voorstellingen die gezamenlijk aan de taal van de H. Schrift ontleend zijn en stuk voor stuk voorbeelden willen zijn van een nieuw verstaan. (7)

Dit citaat wijst op een sterke invloed van Rosenzweig via Miskotte op Kuitert, net als het volgende:

Het O.T. is (…) het grondvlak van de bijbel waarop later het N.T. is gebouwd. (13)

Dat is toch onmiskenbaar het ‘kader van de Tenach’ waarop Miskotte hamerde!

Harry Kuitert in vroeger jaren

Hoe anders de wereld van vandaag ook is, en hoe anders we de dingen daarom soms moeten zeggen, we kunnen dezelfde dingen pas anders zeggen als we eerst goed begrepen hebben hoe de bijbelschrijvers het met hun taal in hun tijd eigenlijk bedoelden. Anders heersen we over de tekst van de heilige Schrift in plaats van dat we de tekst dienen. Het laatste kan maar in één ding bestaan: luisteren naar het bijbelworod en nog eens luisteren. Hoorder worden (en de rechte hoorder is ook de dader, zoals we bij gelegenheid nog zullen zien). (20)

Zelfs het “zijn-in-de-daad” (Sein in der Tat) van Barth ontbreekt niet:

‘Er is geen God’ is dan ook – typerend! – hetzelfde als ‘Hij doet niets’, vgl. Ps. 10,4c en 4b. (…) [A]ls het werkelijk om die God gaat die Zijn God-zijn bewijst in Zijn ‘roemrijke daden’, dan moet Israël zingen van zijn eigen geschiedenis. (22)

Het verschil met de Kuitert van vandaag is hemelsbreed met deze Kuitert van vijftig jaar geleden. Hoe kijkt hij daar zelf op terug? Kon deze theologische benaderingswijze hem niet tot tevredenheid stemmen? Waarom is hij andere paden gaan bewandelen? Heeft hij Breukelman wel eens ontmoet en hoe is dat geweest? Ik zou het hem graag persoonlijk vragen. Eerst maar eens zijn telefoonnummer achterhalen. Als iemand mij daarbij kan helpen: graag!

Breukelman en zijn opponenten

F.H. Breukelman, ‘In gesprek met Frans Breukelman: Van de mens moet je zeggen dat hij niet had moeten ontstaan’, HN Magazine 37 (1981), 3–4, 4:

Dat geklets van Berkhof. Dat boek. Christelijk geloof, ik ben tot bladzijde 60 gekomen. Daar komt de vraag naar de opbouw, de structuur van de dogmatiek aan de orde. Nou, zegt Berkhof dan, je kunt uitgaan van God, van de mens, je kunt zus en je kunt zo. En dan komt ook Barth even ter sprake. Dan zeg ik: hoor eens Berkhof, je hebt het over Barth of niet, maar als je het over hem hebt moet je het goed doen. (…) Dan is zo’n kleine jongen als Berkhof een hondje dat even een plasje tegen Barth doet, voelt u wel? Niet fris, niet getuigend van respect, niet wetend met wie hij te maken heeft. Berkhof weet niet zo zeker of dat wel kan, wat Barth heeft gezegd. En het is zo lastig.

Breukelman wist de controverse gemakkelijk te vinden en het lijkt erop dat zijn rol als wetenschappelijke outcast hem op het lijf geschreven was. Al in de keurige jaren ’50 wekt zijn houding irritatie op. A.R. Hulst, ‘Over de beoordeling van de Nieuwe Bijbelvertaling’, In de Waagschaal 9/16 (16 januari 1954), 126:

Een duidelijk bewijs, dat deze criticus de grens van het toelaatbare overschrijdt? In het nummer van “In de Waagschaal” van 12 Dec. 1952 wijst ds. Breukelman, dat men blijkbaar op een bepaald theologisch standpunt meent te kunnen uitmaken wat in de Schrift wel en wat niet een essentieel bestanddeel van Gods openbaring is. Kennelijk is dit standpunt niet het zijne; en terecht. zou ik zeggen. Ook ik ben met hem toch wel van mening, dat wij in de vraag naar het essentiële van Gods openbaring eerbiedig die Openbaring zelve moeten laten gelden. Intussen wordt dan toch maar door ds. Breukelman beweerd, dat de vertalers dit onjuiste standpunt wél innemen, als hij schrijft (ik citeer letterlijk): “zo hebben nu ook deze vertalers gemeend, dat deze bijbelse manier van over de tijd te spreken geen deel uitmaakt van het getuigenis der openbaring enz.” In gemoede vraag ik: weet ds. Breukelman dit heus wel zo zeker en zou hij zich niet tweemaal moeten bedenken, alvorens dergelijke en andere erge dingen toe te schrijven aan mensen, die jaren en jaren aan een hun beste krachten en de volle schat hunner philologische, historische en theologische kennis aan deze vertaalarbeid hebben gegeven?

Breukelman was met opzet niet altijd even tactisch met zijn kritiek. Tot op zekere hoogte kan ik dat wel meemaken, want het is heerlijk om te foeteren op je opponenten. Maar zeggen dat Berkhof een hondje is dat even een plasje doet tegen Barth, in een interview dat zeker door diezelfde Berkhof gelezen zal worden, dat zou ik toch niet zo snel doen. Behalve dat het voor enkele ogenblikken je hart sneller doet kloppen van academisch-polemisch genoegen win je er namelijk niets mee.

Aanwinsten

Ik kocht nooit kleren. Ik kocht boeken. Heel dure boeken.

Aldus Breukelman in een interview met Hervormd Nederland. Theologen zijn bijna altijd boekliefhebbers en een beetje dominee heeft een ruimte in zijn pastorie die als privébibliotheek dienst doet.

Zelf heb ik op drie locaties (Kampen, Oldebroek, Maastricht) ook genoeg boeken staan om de komende twintig jaar mee door te komen. Toch kan ik het niet laten om af en toe wat extra papier aan te schaffen. Mijn drie jongste aanwinsten staan in het teken van mijn promotieonderzoek.

G.G. de Kruijf, Heiden, Jood en Christen: Een studie over de theologie van K.H. Miskotte (Baarn: Ten Have, 1981)

Dit proefschrift van Gerrit de Kruijf heb ik al gelezen, maar nu heb ik het ook mooi op de plank staan. De Kruijf schreef het boek ‘met het oog op een groter publiek dan alleen de academisch gevormden; ook al omdat er over Miskotte nog weinig werd gepubliceerd.’ (achterzijde).

Op pagina 209 vond ik een citaat terug waarvan ik niet meer wist waar het stond:

Bij de ‘amsterdamse school’ (F.H. Breukelman, K.A. Deurloo en anderen) gaat deze methode (van grondwoorden en structuren) zover, dat het volgens Berkhof [Hendrikus, 1914-1995)] soms wel lijkt ‘of het Woord woord geworden is in plaats van vlees’.

Dat is toch wel een heel aardige variant op Johannes 1:14!

J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), De Nederlandse Belijdenisgeschriften: In authentieke teksten met inleiding en tekstvergelijkingen (Amsterdam: Bolland, 19762 [1940])

Vroeger al gelezen in de Predikantsmaster vanwege een college van Rinse Reeling Brouwer, nu in mijn eigen boekenkast. Met goede inleidingen en geannoteerde synopsissen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Canones van Dordt.

Van de Heidelbergse Catechismus luidt de 61e vraag en het antwoord daarop bijvoorbeeld in de textus receptus (1563):

F. Warumb sagstu, dasz du allein durch den glauben gerecht seyest?
A. Nicht, dasz ich von wegen der wirdigkeyt meines glaubens Gott gefalle, sondern darumb, dasz allein die genugthuung, gerechtigkeyt und heiligkeyt Christi meine gerechtigkeyt für Gott ist und, ich dieselbe nit anderst denn allein durch den glauben annemen und mir zueignen kann.

Deze uitgave is digitaal inzichtelijk gemaakt door de universiteitsbibliotheek van Heidelberg (vraag 61). De gelijktijdig verschenen Latijnse uitgave heeft:

Q. Cur sola fide te iustum esse affirmas?
R. Non quod dignitate meae fidei Deo paceam, sed quod sola satisfactio, iustitia et sanctitas Christi mea iustitia sit coram Deo: ego vero eam non alia ratione, quam fide amplecti et mihi applicare queam. 

Hier zien we dus dat ‘für Gott’ niet ‘omwille van God’ betekent, maar ‘voor het aangezicht van God’, coram Deo, als in het Hebreeuwse לִפְנֵי יהוה. Ook deze uitgave is digitaal te raadplegen (vraag 61: p. 35).

De Nederlandse vertaling uit het Formulierenboek (1611) heeft ten slotte:

Vraghe: Waerom seght ghy dat ghy alleen door t’gheloove rechtveerdigh zijt?
Antwoorde: Niet dat ick vanweghen der weerdigheyt mijnes geloofs Gode aengenaem sy, maer daerom, dat alleen de ghenoeghdoeninghe, gerechticheyt ende heylicheyt Christi mijn gherechticheydt voor God zy, ende dat ick deselve niet anders dan alleen door t’gheloove aennemen ende my toe-eyghenen kan.

Daaraan worden dan in alle edities loci probandi toegevoegd (voor de liefhebber):

1 Korintiërs 1:30

NA27: ἐξ αὐτοῦ [scil. God] δὲ ὑμεῖς ἐστε ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ, ὃς ἐγενήθη σοφία ἡμῖν ἀπὸ θεοῦ, δικαιοσύνη τε καὶ ἁγιασμὸς καὶ ἀπολύτρωσις
Vulgaat: ex ipso autem vos estis in Christo Iesu qui factus est sapientia nobis a Deo et iustitia et sanctificatio et redemptio
NBV: Door hem (God) bent u één met Christus Jezus, die dankzij God onze wijsheid is geworden. Door Christus worden wij rechtvaardig en heilig en door hem worden wij verlost, (…)

1 Korintiërs 2:2
NA27: οὐ γὰρ ἔκρινά τι εἰδέναι ἐν ὑμῖν εἰ μὴ Ἰησοῦν Χριστὸν καὶ τοῦτον ἐσταυρωμένον.
NBV: Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde [τοῦτον ἐσταυρωμένον = en die gekruisigd zijnde].

1 Johannes 5:10
NA27: ὁ πιστεύων εἰς τὸν υἱὸν τοῦ θεοῦ ἔχει τὴν μαρτυρίαν ἐν ἑαυτῷ, ὁ μὴ πιστεύων τῷ θεῷ ψεύστην πεποίηκεν αὐτόν, ὅτι οὐ πεπίστευκεν εἰς τὴν μαρτυρίαν ἣν μεμαρτύρηκεν ὁ θεὸς περὶ τοῦ υἱοῦ αὐτοῦ.
NBV: Wie in de Zoon van God gelooft, draagt [ἔχει = heeft] het getuigenis in zich. Wie God niet gelooft, maakt hem tot leugenaar, omdat hij geen geloof hecht aan het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft.

In de eerste bewijsplaats lezen we over de iustitia et sanctificatio in Christo. De tweede bewijsplaats vind ik wat obscuur. Zou het vanwege het εἰ μὴ worden aangevoerd? De derde bewijsplaats gaat over het aannemen van het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft en bewijst dat het persoonlijk geloof de toe-eigening van dat getuigenis is.

H.W. de Knijff, Sleutel en slot: Beknopte geschiedenis van de bijbelse hermeneutiek (Kampen: Kok, 1980)

Een geschiedenis van ‘Bijbelse hermeneutiek’, ofwel een geschiedenis van de leer van de uitlegging van Bijbelteksten. De Knijff begint met Origenes, de Antiocheense richting en Augustinus en komt dan via middeleeuwen, Reformatoren en Schleiermacher in de twintigste eeuw, waar hij Barth, Heidegger, Gadamer, Bultmann en… F.H. Breukelman bespreekt. De Knijff heeft kritiek op bepaalde onderdelen van Breukelmans hermeneutiek, maar merkt ook op dat men toch moeilijk onder de erkenning uit zal kunnen, ‘dat wij hier met een hermeneutische kijk te maken hebben, welke niet aan de bijbel vreemd is.’ (160)

Bij het verschijnen van Bijbelse Theologie I/1

Voorzijde van het enigszins verfomfaaide exemplaar van de universiteitsbibliotheek PThU van BT I/1

In 1980 gaf Breukelman in het kader van de verschijning van Bijbelse Theologie I/1 een interview aan dagblad De Tijd. Het interview werd opgetekend door Leo Rijkens. Op een zeker punt zegt Rijkens (p. 48): “Maar nou over dat boek van je. En over die fameuze kolometrische leeswijze.” Breukelman:

Ja, kijk om te beginnen moet ik je zeggen dat ik altijd gedacht heb: dat publiceren, moet dat nou zo nodig? Dat werk van mij, als daar iets waardevols bij is, dan kan dat altijd nog wel eens postuum gepubliceerd worden. Aan de andere kant denk ik: dat is toch wel belangrijk werk waarmee ik bezig ben.

Inderdaad kwam het tijdens het leven van Breukelman met de reeks Bijbelse Theologie niet verder dan het derde deel. De andere zeven delen verschenen postuum.

Als het over de relatie tussen kerk en Bijbel gaat, vraagt Rijkens: “Biblicisme is zoiets als fundamentalisme, een EO-achtig letterlijk nemen van de Bijbel?” Breukelman antwoordt:

Biblicisme betekent dat je zegt: de kerk heeft er met haar dogma’s zoveel omheen geweven en geef mij de bijbel maar. Daarin heeft God zus en zo gesproken en nou heb je verder je bek te houden.
Maar kerk en Schrift mogen dus niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Het bijbels getuigenis kan niet anders worden uitgelegd dan met het oog op de dienst die de gemeente (de kerk dus) vanuit Israël temidden van de gojim [volkeren, GvZ] heeft te vervullen. Schrift en gemeente (kerk) zijn dus met elkaar verbonden. Het wezenlijke is het functioneren van de Schrift binnen de ecclesia [kerk, GvZ]. En dat brengt vragen mee als: de bijbelse theologie, de exegese (Schriftuitleg), het vertaalprobleem en ook hoe alle willekeur in de omgang met de Schrift tegen te gaan.

In Bijbelse Theologie I/1 beschrijft Breukelman het verband tussen de Bijbelschrijvers en de gemeente van nu een beetje anders: beiden staan onder hetzelfde verbi divini ministerium (dienst van het goddelijk woord). Beiden getuigen van de grote daden van God, zij als antecessores (vóórgangers), wij als successores (opvolgers). Alleen omdat de gemeente van nu in continuïteit staat met kerk en synagoge door alle eeuwen heen zijn zaken als exegese, Bijbelse theologie en Bijbelvertalen van zulk enorm belang.

Zie hier het complete interview.