Categorie archief: Voortgang onderzoek

Nog 50 dagen

Over ongeveer vijftig dagen loopt mijn aanstelling als ‘medewerker onderzoek’ af. Spannende tijden, want wat er daarna gaat gebeuren is nog niet zeker. Wat wel zeker is, is dat ik verderga met mijn onderzoek. Morgen ga ik op inspectie bij een kerkelijke gemeente die een predikantsvacature van 0,7 fte te vervullen heeft. Dat zou mij genoeg tijd moeten geven om mijn promotieonderzoek binnen enkele jaren te voltooien. De pastorie biedt in ieder geval genoeg ruimte om een studeerkamer van formaat in te richten.

Het is nog onzeker of de PThU in 2013 geld vrij kan maken (of wil maken) voor een voltijds-aioplaats. Het is óók niet zeker of het onderzoek van mijn concurrente het zal afleggen tegen het mijne. Een bijkomende onzekerheid wordt veroorzaakt door een vertraagde start van mijn concurrente: ze is vier maanden (!) later begonnen dan ik. Dat zou betekenen dat ik zeker tot april 2013 zou moeten wachten op de uitslag van de competitie. Erg onaantrekkelijk. Ik hoop dat mijn begeleider en ik tot een andere oplossing kunnen komen.

Intussen gaat het uitstekend met mijn onderzoek. Ik heb mijn eerste hoofdstuk zo goed als gereed en ik bewerk het nu voor het Nederlands Theologisch Tijdschrift, in de hoop dat de redactie het binnen afzienbare tijd gaat plaatsen. Dat zou de kroon op mijn halfjaar ‘medewerker onderzoek’ zijn. Verder ben ik afspraken aan het maken met hooggeleerden Harry Kuitert, Cees den Heyer, Jan Fokkelman, Cees Houtman en Ad van Nieuwpoort. Ze blijken allen bereid mij te woord te staan over Breukelman en hun afkeer, adoratie of onverschilligheid jegens hem. Perfect.

Matteüs in de Nieuwe Bijbelvertaling

Twee jaar voordat ik theologie ging studeren verscheen De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV2004). Als goede calvinist heb ik deze vertaling destijds van kaft tot kaft gelezen en op een paar drukfouten na had ik er weinig op aan te merken. Heel begrijpelijk allemaal, heel leesbaar.

Nu heb ik de afgelopen acht jaar wel een en ander geleerd over vertaalprincipes en vertaalmethodiek. De vertaalmethode van De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV2004) kenmerkt zich door de woorden ‘brontekstgetrouw’ en ‘doeltaalgericht’ weer te geven, aldus de website van de NBV. Men haast zich eraan toe te voegen dat ‘brontekstgetrouw’ iets anders is dan ‘brontaalgetrouw’.

Breukelman zou natuurlijk furieus zijn als hij zoiets nog mee had moeten maken. Langzamerhand begin ik beter te begrijpen waarom Breukelman zo tekeer kon gaan tegen de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG1951) en waarom er vanuit bepaalde (Amsterdamse) kringen zoveel protest was tegen het bevorderen van de NBV2004 tot kanselbijbel. Ondanks die protesten heeft de synode van de PKN in 2010 overigens gewoon besloten dat de NBV2004 naast den Statenvertaling en de NBG1951 kanselbijbel moest worden.

Momenteel bestudeer ik De ouverture van het Evangelie naar Mattheüs: Het verhaal over de γένεσις van Jezus Christus (Mattheüs 1:1 – 2:23) (Bijbelse theologie III/1; Kampen: Kok, 1984) en daar toont Breukelman aan dat Matteüs bewust oudtestamentische taal gebruikt om zijn verhaal te vertellen. Voorbeelden zijn:

  • het opschrift van Matteüs (Βίβλος γενέσεως, Mt 1:1) dat verwijst naar Genesis 5:1 en andere plaatsen (MT סֵפֶר תּוֹלְדֹת / LXX βίβλος γενέσεως) en het daarop volgende geslachtsregister;
  • de formule καὶ ἐκάλεσεν τὸ ὄνομα αὐτοῦ (Mt 1:25) is een bewust gebruikt hebraïsme (וַיִּקְרָא אֶת־שְׁמוֹ, Gen 4:26), want zo zeg je dat niet in het Grieks;
  • het gebruik van de ‘Aufmerksamkeitserreger’ (Breukelman zelf spelt de term zonder de genitief-s) ἰδού (Mt 1:20, 2:1, etc), een Hebreeuws tussenwerpsel dat door iemand als Josephus niet gebruikt wordt. Josephus wilde immers keurig Grieks schrijven.

Dit zijn een paar manieren waarop Matteüs bewust een niet-alledaagse, maar zeer specifieke taal gebruikt om zijn verhaal te vertellen, namelijk de taal van het Oude Testament. Als je in dit geval brontekstgetrouw wilt vertalen, zul je in dit geval dus ook brontaalgetrouw moeten vertalen. Maar wat doet de NBV?

  • Genesis 5:1 ‘de lijst van nakomelingen van’
    Matteüs 1:1 ‘Overzicht van de afstamming van’
    Dat verband dat Matteüs wil leggen is alvast onzichtbaar gemaakt.
  • Genesis 4:26 ‘zij(!) noemde hem’
    Matteüs 1:25 ‘en hij gaf hem de naam’
    Dat verband kunnen we dus ook niet meer zien.
  • Het woordje ἰδού is overal verdwenen.

Dat Matteüs zijn eigen taal wil spreken in deze eerste twee hoofdstukken van zijn evangelie is duidelijk voor de lezer van de Griekse tekst. Voor de lezer van de NBV (die uitdrukkingen als ‘boek van de verwekkingen’, ‘en hij noemde zijn naam’ en ‘zie!’ best begrijpt) is het onmogelijk geworden om te horen welke richting Matteüs zijn lezers wil wijzen, namelijk naar áchteren, naar het Oude Testament als het kader waarvanuit het Nieuwe Testament begrepen moet worden.

Het enige waaruit de lezer dit nog zou kunnen opmaken, zijn de expliciete citaten die Matteüs gebruikt. Achterin de NBV2004 is een lijst opgenomen met ‘aanhalingen uit het Oude Testament in het Nieuwe Testament’. Het expliciete is er dus nog, maar het impliciete is verdwenen. Volgens de NBV2004 verwijst Matteüs naar zo’n 60 oudtestamentische passages. Ter vergelijking: in de marge van de 27e editie van Nestle-Aland wordt in de eerste drie hoofdstukken van Matteüs al bijna 50 keer naar het Oude Testament verwezen!

Dus ja, heel begrijpelijk allemaal, heel leesbaar… maar hoeveel begrijp je nu eigenlijk van zo’n evangelie als de evangelist niet meer de kans krijgt om op zijn vreemde, hebraïserende manier van spreken te spreken? Ik citeer nog eens vanaf de NBV-website:

Een hebraïsme is een woordelijke omzetting van een Hebreeuwse uitdrukking of constructie in het Nederlands, waardoor er een gekunstelde vorm van Nederlands ontstaat. Een duidelijk voorbeeld is te vinden in Genesis 1:4. De SV heeft (met een hebraïsme) ‘en God zag het licht, dat het goed was’. Het behouden van de Hebreeuwse constructie levert een gekunsteld Nederlands op.

Wat de vertalers niet gezien hebben, is dat het hebraïseren van Matteüs óók een gekunsteld Grieks opleverde. Gekunsteld Nederlands mag niet in een vertaling – maar gekunsteld Grieks in de brontekst mag blijkbaar ook niet!

Christian faith in changing contexts

Ik ben nooit erg warm geworden van het romantische beeld van de eenzame theoloog die vier jaar lang achter zijn bureau werkt in de hoop dat zijn pennenvrucht de geschiedenis van de theologie voorgoed zal veranderen. De aio van vandaag moet mijns inziens vooral zijn naam van assistent-in-opleiding waarmaken en de vakgroep assisteren in onderzoek en onderwijs.

Nu ben ik nog geen aio, maar ‘medewerker onderzoek’. Mijn aanstelling valt onder de onderzoeksgroep Beliefs van de Protestantse Theologische Universiteit. Het is de bedoeling dat de onderzoeksgroep onder leiding van professor Mechteld Jansen ook echt een eenheid gaat vormen. Dat valt nog niet mee, aangezien de theoloog van oudsher zijn eigen weg gaat en zich niet teveel aantrekt van waar vakgenoten zoal mee bezig zijn.

Het onderzoeksprogramma waaronder alle onderzoeken van Beliefs (zouden moeten) vallen, heet Christian faith in changing contexts. Daarmee heeft men duidelijk voor een historisch-contextuele theologische benadering gekozen.

Nu is het natuurlijk ook aan mij om mij een plekje onder die grote paraplu toe te eigenen. Een goed deel van mijn onderzoekstijd zal ik daarom besteden aan het onderzoeken en beschrijven van Frans Breukelman in zijn tijd (2oe eeuw) en op zijn plaats (Nederland). Wat was het kerkelijk klimaat van de jaren ’50 tot ongeveer 1990? Welke mondiale ontwikkelingen vonden plaats op Bijbels-theologisch en systematisch-theologisch gebied en welke plek wordt daarin door Breukelman ingenomen?

Het gevaar van deze historisch-contextuele benadering is dat de studie in het verleden blijft hangen en alleen indirect van actuele betekenis is. Hoor het onderzoeksprogramma:

In the face of the undeniable pluralism of contemporary religious and intellectual horizons, Protestant and other theological wells are used with an attitude of basic trust that these sources may enlighten questions of current interest in our context again.

And indeed they may. Maar het blijft toch wat unheimisch voelen dat het best zo zou kunnen zijn dat men over enkele jaren met heel andere zaken bezig is en men zijn schouders ophaalt over Bijbelvertalen, Bijbelse theologie en de traditie van Barth-Miskotte-Breukelman. Ik kan er het belang wel van inzien, maar met hoeveel mensen deel ik dat over enkele jaren?

Tijd om iets te doen aan mijn basic trust.

Huntington

Y. Bekker, D. Hofstra, et al. (eds), Gesprekken met Frans Breukelman (Binnenkant 2; ’s Gravenhage: Meinema, 1989), 9:

Kijk, ik ben in nogal verdrietige omstandigheden groot geworden. Dat heeft mij m’n leven lang achtervolgd. In de familie van mijn vaders kant heerst tot op deze dag een vreselijke erfelijke ziekte, de chorea van Huntington. Die komt bij niet zo veel families voor in Nederland. Als je 25 jaar bent beginnen de symptomen. Je kunt je spieren niet meer beheersen. Tenslotte volgt de dementie, een tergens langzaam proces van aftakeling. Dat is vreselijk. Als jongetje van een jaar of 12, 13, moest ik mijn vader in een wagentje rijden. En dan de mensen maar kijken naar die man, die zo raar zat te doen. Dan vroegen ze of hij gek was. ‘Nee, dat is hij niet!’ Dat vond je als kind natuurlijk heel erg.

Zojuist sprak ik met promovendus Ariaan Baan over de ongeneeslijke en eigenlijk ook onbehandelbare ziekte van Huntington, de last die de ziekte betekent voor het gezinsleven, de angst om het te krijgen (50%) en het langzame aftakelingsproces dat inzet tussen je 35e en 45e levensjaar (volgens de website van de Vereniging van Huntington). Ook in Breukelmans familie kwam de ziekte voor. Het interview met Breukelman dat door Ype Bekker en anderen is opgetekend in Gesprekken met Frans Breukelman begint met de dood. Op zijn zestiende verloor hij zijn vader aan de ziekte van Huntington. Een neef wiens vader de ziekte had, pleegde zelfmoord. Breukelmans zus kreeg het ook. Zijn andere zus stikte in haar astma.

Nu moet je natuurlijk niet al te veel met jezelf te doen hebben, want kijk maar om je heen, de ellende is overal even groot. Behalve op de televisie, in de reclame, daar is alles even leuk, fris, schoon, gezond en natuurlijk. Maar als je dat even wegdenkt, het is overal ellende en nog eens ellende, verdriet, teleurstelling, verbittering. (…) [J]e staat aan de rand van de afgrond, de leegte, de zinloosheid. Het is zo waanzinnig, de wereld is zo bedreigend, zo spookachtig. Waarom?

Midden in deze beschrijving van Breukelmans jeugd zegt hij: ‘Kijk, dat heeft met theologie te maken.’ – maar hij maakt deze gedachte niet af. Het geeft wel te denken. Het ligt voor de hand dat je spreken en denken over God beïnvloed worden door je levenservaringen. Zou het dan inderdaad zo zijn dat je bij de theologie van Karl Barth uitkomt als je ervaring met de ‘natuur’, de gegeven werkelijkheid van het menselijk bestaan, ‘bedreigend’ en ‘spookachtig’ zijn? Barths ‘Nein!’ tegen Emil Brunner was vooral een radicaal nee! tegen de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland. Miskottes Bijbels abc, waarin gezocht wordt naar een niet-natuurlijke, maar Bijbelse manier van spreken over God, is geschreven in de oorlogsjaren. Zelf heb ik in mijn jongere jaren mensen ten grave gedragen die daar nog veel te jong voor waren. Als er echt maar één troost overblijft in leven en sterven, dan kán het niet anders, of God is de ganz Andere.

In de theologie moeten sommige dingen op bepaalde momenten heel duidelijk uitgesproken worden. De dialectische theologie moet zeggen dat God en mens niet ‘van nature’ op één lijn zitten. De bevrijdingstheologie moet zeggen dat een evangelie dat niet bevrijdt geen evangelie is. Met een mooi Duits woord heet dit het Gebot der Stunde, het gebod-van-het-uur. Wat zou ons gebod zijn, in een tijd waarin we God en kerk niet meer nodig hebben? Ik vermoed dat het een combinatie van dialectiek en bevrijding moet zijn. Bevrijding, omdat we het maar niet afleren om verstrikt te raken is alles wat niet heilzaam is, en dialectisch omdat God op geen enkele wijze een gegeven is – je komt hem zelfs nergens meer tegen in je dagelijks bestaan. Dietrich Bonhoeffers existentiële oneliner etsi Deus non daretur wordt meestal vertaald met ‘alsof God niet bestaat’. Volgens mijn woordenboek betekent het echter ‘hoewel God niet (voor)gegeven is’. Dat is precies hoe het ervoor staat en daarvan moeten we eindelijk eens de diepte leren peilen.

Bij het verschijnen van Bijbelse Theologie I/1

Voorzijde van het enigszins verfomfaaide exemplaar van de universiteitsbibliotheek PThU van BT I/1

In 1980 gaf Breukelman in het kader van de verschijning van Bijbelse Theologie I/1 een interview aan dagblad De Tijd. Het interview werd opgetekend door Leo Rijkens. Op een zeker punt zegt Rijkens (p. 48): “Maar nou over dat boek van je. En over die fameuze kolometrische leeswijze.” Breukelman:

Ja, kijk om te beginnen moet ik je zeggen dat ik altijd gedacht heb: dat publiceren, moet dat nou zo nodig? Dat werk van mij, als daar iets waardevols bij is, dan kan dat altijd nog wel eens postuum gepubliceerd worden. Aan de andere kant denk ik: dat is toch wel belangrijk werk waarmee ik bezig ben.

Inderdaad kwam het tijdens het leven van Breukelman met de reeks Bijbelse Theologie niet verder dan het derde deel. De andere zeven delen verschenen postuum.

Als het over de relatie tussen kerk en Bijbel gaat, vraagt Rijkens: “Biblicisme is zoiets als fundamentalisme, een EO-achtig letterlijk nemen van de Bijbel?” Breukelman antwoordt:

Biblicisme betekent dat je zegt: de kerk heeft er met haar dogma’s zoveel omheen geweven en geef mij de bijbel maar. Daarin heeft God zus en zo gesproken en nou heb je verder je bek te houden.
Maar kerk en Schrift mogen dus niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Het bijbels getuigenis kan niet anders worden uitgelegd dan met het oog op de dienst die de gemeente (de kerk dus) vanuit Israël temidden van de gojim [volkeren, GvZ] heeft te vervullen. Schrift en gemeente (kerk) zijn dus met elkaar verbonden. Het wezenlijke is het functioneren van de Schrift binnen de ecclesia [kerk, GvZ]. En dat brengt vragen mee als: de bijbelse theologie, de exegese (Schriftuitleg), het vertaalprobleem en ook hoe alle willekeur in de omgang met de Schrift tegen te gaan.

In Bijbelse Theologie I/1 beschrijft Breukelman het verband tussen de Bijbelschrijvers en de gemeente van nu een beetje anders: beiden staan onder hetzelfde verbi divini ministerium (dienst van het goddelijk woord). Beiden getuigen van de grote daden van God, zij als antecessores (vóórgangers), wij als successores (opvolgers). Alleen omdat de gemeente van nu in continuïteit staat met kerk en synagoge door alle eeuwen heen zijn zaken als exegese, Bijbelse theologie en Bijbelvertalen van zulk enorm belang.

Zie hier het complete interview.

Via via

Via via (via Ype Bekker via André Fox via mijn begeleider Rinse Reeling Brouwer) kreeg ik een nummer van Via via in handen dat anderszins onverkrijgbaar bleek. Het nummer uit 1982 bevat een uitgebreid interview met Frans Breukelman over zijn wetenschapsopvatting, Bijbelvertalen, de manier waarop hij het kerkelijke establishment heeft ervaren, over het respect dat hij heeft voor boeren (en in mindere mate voor krakers), het hiernamaals, en homoseksualiteit. Het interview is opgetekend door Jurjen Fennema en Anno de Haan.

Ik heb het volledige nummer ingescand, kijk maar. Het aardige is dat je een goede indruk krijgt van het Amsterdam van de studenten begin jaren tachtig. Marxisme, homo-emancipatie en protest tegen kernwapens vieren hoogtij.

F.H. Breukelman, ‘Interview met Frans Breukelman: Levend uitleggen en uitleggend leven in deze tijd’, Via via, bulletin studentenpastoraat Amsterdam 13/8 (mei 1982), 2–13.