De levensloop van Frans Breukelman

Welgestelde, droevige jeugdjaren

Frans Hendrik Breukelman werd geboren op 1 december 1916 te Rotterdam, als zoon van boekhouder Frans Hendrik Breukelman en Margaretha Kabel. Hoewel zijn grootouders nog ‘brave orthodox-hervormde burgermensen’ waren geweest (Breukelman 2004, 17), werd er in het gezin Breukelman weinig aan godsdienst gedaan. Zijn vader was socialist geworden en leefde met zijn gezin in behoorlijke welvaart, net als zijn ooms die ondernemingen in de scheepvaart hadden.

Toch lag er een schaduw over het gezin. In Breukelmans familie heerste de ziekte van Huntington, een erfelijke aandoening die een geleidelijk wegvallen van lichamelijke en geestelijke functies veroorzaakt en die niet af te remmen of te genezen is. Ieder mens die in een familie geboren wordt waarin Huntington voorkomt, heeft vijftig procent kans dat de ziekte zich gaat ontwikkelen. Breukelman zelf werd niet getroffen door de ziekte, maar zijn vader, één van zijn zussen en enkele andere naaste familieleden zijn wel ziek geworden. Een neef bij wie de ziekte werd geconstateerd, pleegde op zestienjarige leeftijd zelfmoord. In een later interview memoreert Breukelman (Bekker 1989, 9):

“Als jongetje van een jaar of 12, 13, moest ik mijn vader in een wagentje rijden. En dan de mensen maar kijken naar die man, die zo raar zat te doen. Dan vroegen ze of hij gek was. ‘Nee, dat is hij niet!’ Dat vond je als kind natuurlijk heel erg.”

Het gemoed van Breukelmans moeder werd daarnaast regelmatig geteisterd door onberekenbare, hevige depressies en zijn andere zus overleed aan de gevolgen van haar zware astma. Uit dit alles kunnen we opmaken dat Breukelman al vroeg in zijn leven geconfronteerd werd met de genadeloze kant van de gegeven werkelijkheid.

Vrijzinnig klimaat
Dominee Fetter
Dominee J.C.A. Fetter

De kerk speelde nauwelijks een rol in het leven van de ouders van Breukelman. Toen het gezin verhuisde van Rotterdam naar Voorburg, werd Breukelman leerling op het Vrijzinnig-Christelijk Lyceum. Aangezien het bij een goede opvoeding hoorde dat men toch iets van godsdienst wist, werd Breukelman op zestienjarige leeftijd naar de catechisatiebijeenkomsten gestuurd die gehouden werden door de gevierde remonstrantse predikant Johan Carel Antonie Fetter (1885-1959), die tussen 1932 en 1949 als predikant verbonden was aan de Haagse Remonstrantse Gemeente. Breukelman kon met hem spreken over zijn gedachten, zijn vragen, zijn angsten, zijn ellendige jeugdervaringen. Dominee Fetter ried Breukelman aan om, ondanks zijn interesse in de bètavakken, theologie te gaan studeren.

Breukelman behaalde zijn hbs-b diploma in 1934. In 1936 deed hij staatsexamen Gymnasium-a. In datzelfde jaar ging hij theologie studeren in Leiden, eigenlijk zonder goed te weten wat die studie inhoudt. Tijdens zijn studie raakte Breukelman steeds meer in onmin met de liberale theologie waarmee hij was opgegroeid. Zijn docenten konden hem niet inspireren en hij overwoog zijn studie af te breken, tot hij in een Leidse boekhandel de tweede band van de Kirchliche Dogmatik (KD I/2, 1938) van de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968) aanschafte en daarin een manier van theologiebeoefening vond waarmee hij wel uit de voeten kon. Ook maakte hij al als student een begin aan zijn studie naar het evangelie naar Matteüs, waaraan hij gedurende de rest van zijn leven verder zou werken. Kerkelijk maakte hij in die tijd geleidelijk de overstap naar de Nederlandse Hervormde Kerk, getuige het feit dat hij in zijn studententijd enige tijd voorzitter is geweest van de Leidse afdeling van de Jong-Hervormden.

Inspiratie

Op 11 december 1941 deed Breukelman in de Pauluskerk te Oegstgeest zijn ‘voorstel’. Dat wil zeggen: hij hield een openbare proefpreek die door hem als proponent werd gehouden voor een publiek dat bestond uit een kerkelijk hoogleraar, studenten van de theologische faculteit en andere genodigden. Daarna werd hij op 4 januari 1942 in de zondagmiddagdienst van 15:00 uur onder grote belangstelling bevestigd als Hervormd hulpprediker in Rijnsburg bij Gerrit Cornelis van Niftrik (1904-1972). Van Niftrik sprak naar aanleiding van 1 Korinthe 9:23 (‘En dit doe ik om des Evangelies wil, opdat ik hetzelve mede deelachtig zou worden’); Breukelman verbond zich aan de gemeente met de woorden van Mattheüs 5:3 (‘Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen’).

Breukelman ging catechese geven aan de hand van Die Geschichte des Volkes Israël (1909) van Rudolf Kittel, maar gaandeweg werd hem duidelijk dat hij met Kittels historische benadering niet naar tevredenheid catechetisch onderwijs kon geven. Daar kwam verandering in toen hij in 1942 de boekjes Bijbels abc (1941) en Het waagstuk der prediking (1941) las, beide van de hand van Kornelis Heiko Miskotte (1894-1976), in die tijd als predikant verbonden aan de hervormde gemeente te Amsterdam en de voornaamste pleitbezorger van de theologie van Karl Barth. Via hen komt hij iets op het spoor wat later een centrale plek zal gaan innemen in zijn eigen theologie: het gevaar van de ‘en-theologie’. In 1981 schrijft hij daarover in het Nederlands Dagblad, in verband met de steeds vrijzinniger wordende Gereformeerde Kerken (geciteerd bij Van der Graaf 1981, 3):

Je ziet dat in de nieuwe aandacht voor het woordje én in de theologie: natuur én genade. Schrift én traditie, geloof én goede werken, wet én evangelie, ervaring én openbaring enz. enz. Het lijkt wel of men niet door heeft dat je op deze manier stiekum of openlijk de mens weer tot centrum van de theologie maakt. En dat is voor mij vrijzinnig. Ik kan met mijn vrijzinnige achtergrond met recht zeggen, dat zoiets tot de meest afschuwelijke dingen kan leiden. Ik ben opgegroeid tussen vreselijk aardige en beschaafde mensen – geen kwaad woord daarover -, maar de mensgerichte benadering van hun theologie heeft God verduisterd en zijn soevereiniteit aangetast. En die theologie heeft ook geen werkelijke bijdrage geleverd tot het verstaan van de grote vragen van deze eeuw. Ik ben als de dood, dat de theologie op dit moment een terugval beleeft in de 19e eeuw.

Via Miskotte komt Breukelman in aanraking met het werk van de Duits-Joodse filosofen Martin Buber (1878-1965) en Franz Rosenzweig (1886-1929). Van Barth en Miskotte deed Breukelman het inzicht op dat hij de theologie waarmee hij tot dan toe vertrouwd was geweest als zo problematisch ervoer, omdat ze niet in overeenstemming bleek met het openbaringskarakter van het Bijbelse spreken over God. Bij Buber en Rosenzweig vond hij een manier van Bijbellezen die, in tegenstelling tot de liberale leeswijze, de Bijbelse teksten ‘in al hun vreemdheid’ liet klinken. Volgens Buber is elke literaire stijlvorm in de Bijbel gebonden aan de boodschap van de teksten: vorm en inhoud zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: ze vormen samen de Bijbelse boodschap.

De combinatie van de theologie van Barth en Miskotte enerzijds en de gedachte van de ‘Sprache der Botschaft’ van Buber en Rosenzweig anderzijds heeft doorgewerkt in alle onderdelen van Breukelmans theologie.

In mei 1943 slaagde Breukelman voor het proponentsexamen en werd hij beroepbaar als predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk.

Huwelijk en intrede in Ritthem
Frans en Mijntje Breukelman

Middenin de oorlogsjaren trouwde Breukelman op 24 juni 1943 met Wilhelmijntje Cornelia (Mijntje) Verhoog (Voorschoten, 19 februari 1917 – Amsterdam, 6 februari 1998), afkomstig van gereformeerd-synodalen huize. Dat ging niet zonder slag of stoot (Breukelman 1981, 3-4):

“De gereformeerde dominee zei dat ze moest kiezen tussen God en de wereld. God was één of andere gereformeerde groenteboer die ze al klaar hadden staan en de wereld was ik. (…) Mijntje mocht niet naar de hervormde kerk, zelfs niet toen ik hulpprediker was. Toen we pas getrouwd waren, ze was 26, heeft ze bij mij belijdenis gedaan.”

Uit hun huwelijk zullen uiteindelijk vier kinderen geboren worden: Frans, Cees, Margreet en Willemien (Bekker 1989, 148).

Na anderhalf jaar hulpprediker te zijn geweest, nam Breukelman op 12 september 1943 afscheid van de Rijnsburgse gemeente, omdat hij een beroep had aangenomen naar het Zeeuwse dorpje Ritthem. Hij sprak bij zijn afscheid over 2 Thessalonicenzen 2:16-17 (‘En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk’). Na een week uitstel werd Breukelman op zondagochtend 21 november 1943 door Van Niftrik bevestigd als predikant in de hervormde gemeente van Ritthem. De gebruikte tekst in de dienst is Romeinen 1:14 (‘Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar’). ’s Middags werd de intrededienst gehouden en preekte Breukelman over Matteüs 9:35-38, een tekst waarover hij ook in latere jaren zal preken bij de bevestiging van andere predikanten (zie audio > kerkdiensten): ‘En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk. En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben. Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige; Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.’

De Provinciale Zeeuwse Courant en De Zeeuw schrijven op 23 november over deze dag het volgende:

“Het was Zondag voor de Herv. gemeente van Ritthem een blijde en gewichtige dag. Na een korte vacature van ruim 2 maanden kreeg zij een eigen herder en leeraar. Des voormiddags werd cand. F. H. Breukelman als predikant bevestigd door dr. G. C. van Niftrik te Rijsburg. Zijn tekst was Romeinen 1 : 14. Na de bevestiging zong de gemeente haar nieuwen predikant toe de zegenbede uit Ps. 134:3. Aan de handoplegging nam behalve de bevestiger deel ds. L. C. Spijkerboer te Oost- en West-Souburg. Des namiddags hield ds. F. H. Breukelman zijn intrede naar aanleiding van Matth. 9:35-38. Evenals er ten tijde van Jezus’ omwandeling op aarde vele vermoeiden en verstrooiden waren, die geen herder hadden, zoo is er tot op onzen tijd toe een sterk verlangen geweest naar den eenigen leidsman der wereld, nl. Jezus Christus. Na de prediking hield ds. Breukelman de gebruikelijke toespraak. Ds. Spijkerboer sprak namens den kerkeraad, namens den ring Vlissingen en als consulent en collega. Nog werd hij toegesproken door zijn bevestiger ds. van Niftrik. Voor beide diensten was veel belangstelling, ook van buiten de gemeente.”

Breukelman nam volop deel aan het kerkelijke en het maatschappelijke leven. Hij werd bijvoorbeeld benoemd tot bestuurslid van de Vereeniging voor Christelijk Lager Onderwijs van Walcheren (De Zeeuw, 14 februari 1944), hij sprak bij de dodenherdenking op Souburg in 1946 (Zeeuwsch Dagblad, 7 mei 1946) en die week daarop op een verkiezingsbijeenkomst van de afdeling Goes van de Partij van den Arbeid. De Provinciale Zeeuwse Courant (9 mei 1946) tekent op: ‘Spr[eker] zal ook als lid van de P.v.d.A. nimmer nalaten te verzekeren, dat hij gelooft in Jezus Christus.’ In het Noord-Bevelands Nieuws- en advertentieblad van 24 mei 1947 staat een aankondiging van een PvdA-bijeenkomst waar Breukelman zal spreken:

1947_pvda_breukelman

Oorlogsgeweld

In het najaar van 1944 probeerden de geallieerden de Duitse bezetter uit de provincie Zeeland te verdrijven om zo de doorvaart naar Antwerpen veilig te kunnen stellen. De Britse luchtmacht bombardeerde de dijken op Walcheren om een zogeheten defensieve inundatie te bewerkstelligen. Het dorpje Ritthem werd een eiland, en alles, bomen, boerderijen en landerijen, werd meegesleurd en kapotgeslagen door enorme waterstromen. In de Teleac-cursus Bijbellezen op ’n nieuwe manier (1978) komt Breukelman te spreken over deze gebeurtenis, naar aanleiding van tohoe wabohoe (Gen 1:2, ‘woest en ledig’). Volgens hem is het een typisch voorbeeld van de woest-en-ledigheid die door Gods scheppend handelen wordt teruggedrongen en tenietgedaan:

“God wendt het af, hij laat het achter zich, en wij met God mede mogen alle tohoe wabohoe achter ons laten.”

Vanwege de inundatie kon Breukelman zijn predikantschap niet langer ter plaatse uitoefenen. Hij werd geëvacueerd naar de nabijgelegen stad Veere en oefende daar gedurende enkele maanden het predikantschap uit (Provinciale Zeeuwse Courant, 26 april 1946). In september 1945 keerde hij weer terug naar Ritthem. Tot 4 januari 1947 bleef hij daar predikant.

Pelgrimages naar Simonshaven
Hervormde kerk Simonshaven

Op zondagochtend 11 januari 1948 werd Breukelman door ds L.C. Spijkerboer bevestigd in zijn nieuwe gemeente in het Zuid-Hollandse dorpje Simonshaven met 2 Korinthe 5:13 (‘Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het u lieden)’. Breukelman deed ’s middags intrede met 2 Korinthe 6:2b (‘Zie nu is het de dag der zaligheid’). De Provinciale Zeeuwse Courant (14 januari 1948) weet te melden: ‘Bij beide kerkdiensten was de kerk vol.’ Nog sterker dan in Ritthem stond zijn predikantschap in Simonshaven in het teken van de Schriftverkondiging. Intussen werden de pastorale taken goeddeels verricht door zijn echtgenote. In 1950 brak Breukelman radicaal met de vigerende historisch-kritische Bijbelwetenschappen. Hij koos ervoor om zijn exegese voortaan te baseren op de overgeleverde Bijbelteksten in plaats van de vermeende bronnen waaruit die teksten samengesteld zijn.

Veel theologen, theologiestudenten en leken raakten geïnspireerd door deze nieuwe, tegendraadse benaderingswijze. Sommigen reizen bijna wekelijks af naar de pastorie in Simonshaven om van Breukelman te leren. Opvallend is dat christenen van allerlei denominatie de reis naar Simonshaven maakten, ook rooms-katholieke priesters als B.P.M. (Ben) Hemelsoet (1929-1999) en T.J.M. (Tom) Naastepad (1921-1996). Sommigen kwamen zelfs uit het buitenland om in de pastorie onderwijs van Breukelman te krijgen of om onder zijn gehoor te zitten bij een zondagse kerkdienst. De Berlijnse theoloog Horst Dzubba (1913-1978) memoreert (Marquardt 2001, 5):

“Die Predigt von Pastor Breukelman währte eine Stunde: Es war so, als sei man zu Tisch geladen und bekäme ein stärkendes Gericht nach dem anderen gereicht … Der Schleier, der alles Leben verhüllt, schien fortgenommen; das wahre Leben trat hervor … Und doch war der Redner kein glänzender Kanzelredner — wie gut, daß er es nicht war! und auch kein Zauberer des Wortes; aber er glühte und teilte aus.”

Breukelman wist een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op zijn toehoorders. Er is, wat dat betreft, een parallel te trekken met de zogeheten goeroes, spirituele leiders die vooral in de jaren ’60 en ’70 veel succes boekten in het Westen. Wellicht was men in die decennia op zoek naar geestelijke vernieuwing en had men ‘verlichte’ mensen nodig die nieuwe wegen wezen (Van Zanden 2013). Opmerkelijk is dat het erop lijkt dat Breukelman in academische kringen aanvankelijk méér weerklank vond in het Berlijnse dan in Nederland. In Nederland zal hij pas echt voet aan de grond krijgen als hij in 1968 benoemd zal worden als wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Universiteit van Amsterdam (UvA).

De nieuwe Bijbelvertaling

In 1952 nodigde Miskotte Breukelman uit om zitting te nemen in een commissie ter beoordeling van de in 1951 verschenen nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (voortaan ‘NBG1951’), de zogeheten ‘Commissie Miskotte’ (niet te verwarren met de Commissie Miskotte-voor-de-nieuwe-Psalmberijming) die in het leven geroepen was door de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. Breukelman was in die commissie naar eigen zeggen ‘de enige dwarsligger’ (Breukelman 1982, 6). Miskotte ried hem aan om over zijn bevindingen te schrijven in het door Miskotte opgerichte tijdschrift In de Waagschaal. In 1952 en 1953 verscheen er inderdaad een lange reeks kritische artikelen, met een onderbreking van enkele maanden na de watersnoodramp in januari/februari 1953. In In de Waagschaal 8/39 (26 juni 1953), 307 schrijft L.C. Spijkerboer een vervangend artikel over de Bijbelse woorden ‘kennen’ en ‘houd moed!’, waarbij de redactie het volgende naschrift plaatst: ‘Nu Ds F.H. Breukelman zijn artikelen enkele maanden moest onderbreken door velerlei bizondere arbeid en moeilijkheden tengevolge van de watersnood, is het ons een genoegen bovenstaande bijdrage van Ds Spijkerboer te kunnen plaatsen. Intussen kunnen we mededelen, dat binnenkort nog een aantal artikelen van Ds Breukelman zullen volgen.’ Er volgende nog een dertiental bijdragen. Voortdurend wees Breukelman erop dat in de NBG1951 bepaalde Hebreeuwse woorden, die zijns inziens cruciaal zijn voor het juiste verstaan van de tekst (de ‘grondwoorden’ die hij van Buber/Rosenzweig had leren ontdekken), zó uiteenlopend vertaald worden, dat de lezer van de NBG1951 de verbanden niet meer kan leggen tussen verschillende teksten die dezelfde grondwoorden gebruiken. Volgens Breukelman stond de nieuwe vertaling een goed begrip van de tekst in de weg. In plaats van de tekst te ontsluiten, sluit ze hem toe.

De artikelen zijn niet eenvoudig voor de gemiddelde lezer. Bij de negentiende aflevering van de artikelenreeks schrijft ze: ‘In antwoord op vragen van enkele lezers, die de vaktheologische artikelenreeks over de nieuwe bijbelvertaling wel wat erg uitgebreid vinden met het oog op de vele lezers, die er weinig van kunnen begrijpen, delen wij mede, dat er hoogstens nog twee artikelen in deze reeks zullen worden geplaatst. Hoewel wij erkennen, dat het voor ons blad eigenlijk teveel “vakwerk” is, hebben wij toch met het oog op het belang van de záák, die in deze artikelen op zo deskundige wijze aan de orde gesteld is, dankbaar onze plaatsruimte afgestaan. En de lezers, voor wie deze stukken minder leesbaar waren, danken wij voor hun geduld.’

SAMSUNG

Vanwege de kritische toon van de artikelen leeft Breukelman al vroeg op gespannen voet met het vrijwel het gehele bijbelwetenschappelijke establishment van Nederland. Bijna elke bijbelwetenschapper had immers wel een bijdrage geleverd aan de nieuwe Bijbelvertaling, en nu zagen zij hun eigen werk ernstig bekritiseerd. Van belang is wel om te beseffen dat Breukelman zijn artikelen schreef met het oog op een spoedige revisie van de vertaling. Het Utrechtsch Nieuwsblad schrijft (8 juli 1953):

“De Generale Synode der Ned. Herv. Kerk heeft in haar vergadering van Woensdag de besprekingen voortgezet betreffende de eventuele officiële erkenning van de nieuwe Bijbelvertaling van het Ned. Bijbelgenootschap. Na uitvoerige discussie, besloot de Synode de nieuwe vertaling officiëel te erkennen naast de Statenvertaling, daarbij in overweging nemende het grote gebruik dat reeds in vele gemeenten in velerlei opzicht wordt gemaakt.
Op voorstel van ds G. Kaastra (classis Franeker) werd met grote meerderheid van stemmen en o.a. nadat ouderling Visser (classis Sneek in het Fries dit voorstel ondersteunde), ook de Friese vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap als officiële vertaling erkend. De opdracht aan de Commissie-Miskotte tot revisie der nieuwe vertaling blijft evenwel gehandhaafd.”

De Commissie Miskotte had op dat moment echter haar definitieve rapport nog niet eens voltooid of overhandigd. De acta van de vergadering van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk van 6 tot en met 11 Juli 1953 noteert (p. 139):

Prof. van Unnik vraagt zich af, of de Statenvertaling de facto niet reeds antiquarisch is. De tekst, waarvan de Statenvertaling uitging, wordt door niemand meer aanvaard. De nieuwe vertaling steekt ver boven de Statenvertaling uit. De noodzaak van een nieuwe vertaling is duidelijk. Als men wacht op een vertaling, die voor iedereen acceptabel is, moet men tot na het laatste oordeel wachten. De critiek van ds. Breukelman deed spr. zich afvragen, of ds. Breukelman zelf wel eens vertaald heeft. Men moet wel eens een keuze doen, ook als men wel van andere mogelijkheden weet. (…)

Op 22 december 1954 vond de eerste zitting plaats van de overkoepelende ‘revisiecommissie Oude Testament’, die alle kritiek op de Nieuwe Vertaling moet gaan verwerken. De commissie vergaderde vervolgens met maandelijkse regelmaat (in klein verband en plenair) tot 25 september 1967 (Hoogewoud 1985, 79). Zitting hadden: G.Ch. Aalders, M.A. Beek, A.H. Edelkoort, W.H. Gispen, C.J. Goslinga, A.R. Hulst, G. Kuiper, J.J. Kijne, F.M.Th. de Liagre Böhl, L.H. van der Meiden, P. Minderaa, H.W. Obbink, G.J. Thierry en Th.C. Vriezen (Van Dorp 2001, 30-31). Bijna allemaal hadden ze ook meegewerkt aan het tot stand brengen van de NBG1951, iets waarover Breukelman zijn ongenoegen heeft kenbaar gemaakt (Breukelman 1996, 5). Op de vergaderagenda stonden onder andere Breukelmans artikelen uit In de Waagschaal, evenals een reeks niet-gepubliceerde kritieken die hij aan M.A. Beek ter hand had gesteld.

Uit de notulen van deze vergaderingen en de bijbehorende correspondentie blijkt dat men in die commissie een zeer groot aantal Bijbelplaatsen heeft besproken en met wijzigingsvoorstellen is gekomen. Ook de kritiek van Breukelman is uitgebreid aan de orde geweest, hoewel hij op zoveel Bijbelplaatsen een aanmerking had, dat het kaartsysteem van de commissie zijn kritiek niet goed systematisch kon onderbrengen (Van Dorp 2001, 33; Breukelman 1996, 1). A.R. Hulst publiceerde in 1954 een korte repliek richting Breukelman; een andere officiële reactie op Breukelmans artikelen is er nooit gekomen. Achter de schermen zou Breukelmans kritiek echter tot op de laatste vergaderingen geregeld ter sprake gebracht worden, en aanvankelijk leek het erop dat men Breukelman op enkele punten tegemoet wilde komen. Breukelmans Bijbels-theologisch gemotiveerde voorstel om ‘redding’/’redden’ in Psalm 3 concordant te vertalen, werd door de commissie nagevolgd. De wijziging zou worden overgenomen in de gereviseerde NBG-vertaling.

De revisie kwam er echter niet. Toen er plannen kwamen voor een oecumenische vertaling, in samenwerking met de Katholieke Bijbelstichting, werd het revisiewerk vrij plotseling afgebroken. Het advies van de Commissie Miskotte werd nog slechts ter kennisgeving aangenomen. Op een revisie zat niemand meer te wachten. Zoals het Utrechts Dagblad al schreef: de nieuwe Vertaling lag inmiddels op zóveel kansels…

Achteraf vond Breukelman dat hij niet zo fel had moeten zijn op de NBG-vertaling. In vergelijking met de Willibrordvertaling (vanaf 1961) of de Groot Nieuws Bijbel (te verschijnen in 1983) stond de NBG-vertaling toch nog héél dichtbij de Statenvertaling (Breukelman 1999 [1975], 221). De artikelen in In de waagschaal zorgen ervoor dat de naam van Breukelman in den lande en ook in academische kringen aan bekendheid won. Intussen was Breukelman een studie begonnen met een studie naar de verhouding tussen Bijbelse theologie en systematische theologie. In mei 1967 kreeg hij nog een beroep uit Axel voor de post van tweede predikant, maar daar bedankte hij voor.

Wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de UvA

In de late jaren ’60 was er op de universiteiten een ongekende golf van democratisering gaande. Daardoor kon het gebeuren dat de wens van Ype Bekker en enkele andere studenten aan de theologische faculteit van de Universiteit van Amsterdam om Breukelman naar de faculteit te halen, werkelijkheid kon worden. Breukelman moest nog wel doctoraal examen doen. Dat bestond uit drie onderdelen: een hoofdvak en twee bijvakken. Als hoofdvak koos hij Nieuwe Testament; hij werkte zijn studie naar Bijbelse en systematische theologie onder begeleiding van professor J.N. Sevenster (1900-1991) uit tot een doctoraalscriptie, getiteld Beoordeling van Rudolf Bultmanns beschrijving van de eschatologie van Paulus in zijn boek ‘Theologie des Neuen Testaments’ (1967), nu opgenomen in Bijbelse Theologie IV/2 (1999), 83-175. Voor het bijvak Dogmatiek schreef hij ‘Thesen over de gereformeerde orthodoxie in haar laatste fase’ bij professor Van Niftrik (gedagtekend 14 november 1967, in het Breukelmanarchief te vinden onder i094; zie Reeling Brouwer 2003, 454 n. 122) en verder werd er van hem verwacht om bij Beek in tien dagen een ‘stoomscriptie’ te schrijven over Claus Westermann (nu opgenomen in Bijbelse Theologie I/3, 299-339). De afrondende examenzitting verliep niet helemaal zonder slag of stoot (Breukelman 2004, 25):

“[D]e examinatoren hebben me heel gemeen behandeld. Ze hebben me goed laten voelen, dat dat jongetje zich niets verbeelden moet.”

Maar het lukte. Voortaan mocht Breukelman ‘drs’ voor zijn naam zetten.

Professor G.C. van Niftrik
Professor G.C. van Niftrik

Op 31 augustus 1968 werd Breukelman eervol ontslag verleend en mocht hij, op voorstel van Van Niftrik, bij wie hij in de vroege jaren ’40 te Rijnsburg hulpprediker was geweest, per 1 september 1968 het predikantschap verruilen voor een aanstelling als wetenschappelijk hoofdmedewerker voor hermeneutiek aan de theologische faculteit van de UvA. Op zondagmiddag 10 november 1968 nam hij na 21 jaar afscheid van de hervormde gemeente van Simonshaven en Biert. Hij verhuisde met zijn gezin naar de oudkatholieke pastorie in Krommenie. Eerst diende Breukelman bij professor Van Niftrik en, na diens overlijden, van 1975 tot 1981 bij Ernst Johannes Beker (1921-2006).

Op zaterdagen organiseerde Breukelman colleges op diverse locaties in Amsterdam, bijvoorbeeld in de Oudemanhuispoort en op de bovenverdieping van een UvA-gebouw aan de Herengracht, maar ook wel bij hem thuis in Krommenie. Ook verzorgde hij vanaf de laten jaren ’60, op uitnodiging van toenmalig seminarierector J.M. de Jong, jaren achtereen cursusweken op het kerkelijke seminarie Hydepark te Doorn, iets wat hij in de jaren ’80 ook nog zal doen. Daarnaast geeft hij gastcolleges aan verschillende theologische faculteiten in Nederland, en spreekt hij op conferenties van de Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV). Vermeldenswaardig zijn een reeks van tien colleges die hij tijdens het wintersemester van 1975/1976, van 13 oktober en 10 februari, heeft gehouden aan de Freie Universität te Berlijn over het Mattheüsevangelie, en een lustrumconferentie van de NCSV op 28 en 29 april 1978, waarbij hij samen met Wilhelm-Friedrich Marquardt de inleiding verzorgde. Hij bood daar ook een Calvijnseminar aan. Door al deze activiteiten is een hele generatie theologen in aanraking gekomen met Breukelmans theologie.

Inhoudelijk en methodisch sloot Breukelmans theologie goed aan bij een vorm van theologiebeoefening die veel Amsterdamse theologen zich hadden eigengemaakt, een vorm namelijk waarbij er niet primair gezocht wordt naar de ontstaansgeschiedenis of de historische referenten van de Bijbeltekst, maar naar de betekenis van de tekst als tekst. Sommigen van hen wisten zich geïnspireerd door Breukelmans werk, maar anderen hadden deze vorm van theologiebeoefening geleerd van de Amsterdamse hoogleraren J.L. Palache (1886-1944) en M.A. Beek (1909-1987). Men spreekt in dit verband van de ‘Amsterdamse School’, een weinig vastomlijnd collectief van geestverwante exegeten, Bijbelwetenschappers en systematisch theologen.

Om verschillende redenen resulteerden Breukelmans theologische werkzaamheden niet in een proefschrift. Naar eigen zeggen was hij te perfectionistisch, en zijn beoogd promotor M.A. Beek vond Breukelmans opvattingen te radicaal. Een blik op het complete literatuuroverzicht maakt duidelijk dat Breukelman geen veelschrijver was, en dat enkele van zijn publicaties eigenlijk (al dan niet herziene) herpublicaties zijn. Het grootste gedeelte van zijn teksten werd pas na zijn dood in 1993 uitgegeven door leerlingen.

Op 31 oktober 1980 hield Breukelman zijn afscheidscollege in de aula van de UvA. Volgens een ooggetuige ziet het daarbij ‘zwart van de dominees’ (De Jong 1980, 346). In 1986 werd zijn 70e verjaardag gevierd in de Westerkerk te Amsterdam. Zijn allerlaatste college gaf hij in december 1992 in de Oudemanhuispoort te Amsterdam.

De serie Bijbelse Theologie

breukelman_bijbelse_theologie_bt11Hoewel Breukelman zijn exegetische vondsten liever uitsprak in de collegezaal, in kerkelijke leerhuizen en op andere bijeenkomsten dan dat hij ze in drukvorm deed verschijnen, begon hij toch, op aandringen van zijn volgelingen, met het uitgeven van een serie cahiers bij uitgeverij Kok, onder de titel Bijbelse Theologie. De eerste band verscheen in 1980, het jaar van zijn emeritaat. Ook na zijn emeritaat bleef het bijzonder lang duren voordat Breukelman tevreden genoeg was over zijn werk om het aan de drukpers toe te vertrouwen.

In de jaren ’80 ging Breukelman wonen aan de Singel 502 te Amsterdam, en was daarnaast regelmatig te vinden in zijn buitenverblijf aan de Hege Hearewei in het Friese dorp Finkum. In 1983 brandde die boerderij af.

Als Breukelman op 28 juni 1993 op 76-jarige leeftijd te Amsterdam overlijdt aan de gevolgen van een hersentumor, zijn er slechts drie van de beoogde 25 tot 30 cahiers verschenen. Op 1 december 1993 wordt er in de aula van de UvA een herdenkingsbijeenkomst gehouden. In datzelfde jaar nog wordt een stichting in het leven geroepen die zich ten doel stelt het werk van Breukelman verder te publiceren. Onder haar auspiciën is in 2012 de tiende en laatste band van de Bijbelse Theologie verschenen. Daarmee zijn Breukelmans belangrijkste werken in druk verschenen. Mappen vol stencils en ander ‘ruw materiaal’ zijn ondergebracht bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden).

De toekomst

3439De Breukelmanstichting is inmiddels een samenwerkingsverband aangegaan met enkele andere stichtingen, onder de noemer ‘De Nieuwe Bijbelschool‘. Deze organisatie heeft zich met succes ingezet voor de realisatie van een Miskotte/Breukelman-leerstoel voor de theologische hermeneutiek van de Bijbel, die momenteel bekleed wordt door mijn leermeester prof. dr R.H. Reeling Brouwer.


Literatuur

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *