Princeton – dinsdag 25/8

Vandaag weer een dag met twee sessies. Centraal stonden KD IV/2 en KD IV/3.1.

Session IV: KD IV/2, §64.3 ‘The Royal Man’

De dag begon met een paper van Rinse Reeling Brouwer (ik had het van tevoren al mogen lezen): ‘The Royal Man. Some Hermeneutical, Dogmatic, Biblical Theological and Contextual Remarks’. Het paper bestond, zoals uit de ondertitel al op te maken viel, uit vier onderdelen:

  1. De hermeneutische vraag van de toegang tot Jezus,
  2. ‘The Royal Man’ in verhouding tot het geheel van KD IV/2,
  3. Het verschillende beeld van Jezus die de vier evangelisten hebben,
  4. De contextuele vraag naar wat het eigenlijk betekent om ‘waarlijk mens’ te zijn.

Vooral het derde en vierde punt kregen veel aandacht in de discussie. Hoe moeten we ons ‘koninklijk menszijn’ voorstellen? Allemaal kleine koninkjes en koninginnetjes in hun eigen soevereine vrijheid? Dat klinkt wel erg bourgeois – en dat was nu juist Barths eigen kritiek geweest op de Leben-Jesu-Forschung! Het is Barth natuurlijk te doen om vrijheid in dienstbaarheid, maar het valt niet mee om je voor te stellen hoe dat eruit kan zien in het leven van alledag.

Kaltwasser%20-%20photo%20by%20Kim%20Schmidt[1]Cambria Kaltwasser, een PhD-studente die studeert bij George Hunsinger, had boven haar paper gezet: ‘The Omnipotence of Mercy: Jesus’ Miracles as the Light of Grace in §64.3 “The Royal Man”‘. Het paper gaf uitgebreid het gedeelte van §64.3 weer dat over de wonderen van Jezus gaat. Barth wil geen scherp onderscheid aanbrengen tussen ‘natuurlijk’ en ‘bovennatuurlijk’, want dat suggereert een te groot onderscheid tussen Jezus’ (natuurlijke?) wonderlijke woorden en zijn (bovennatuurlijke?) wonderlijke daden. De belangrijkste vraag uit de groep ging over hoe Barth het ‘profetische ambt’ van Christus hier invult. Kate Sonderegger: waarom probeert Barth de wonderen van Jezus niet aan te duiden als een vervulling van de oudtestamentische profetieën? Benno van der Toren vroeg naar wat de ‘kosmische dimensie’ van Jezus’ wonderwerken zou kunnen inhouden – maar daarop moest de groep het antwoord schuldig blijven.

Bruce McCormack constateerde verheugd dat er tot nu toe bij alle papers een discussie had plaatsgevonden over de verhouding tussen exegese en dogmatiek – en die verheuging deel ik geheel en al met hem!

Session V: KD IV/3.1, §69.2 ‘The Light of Life’

Ik herinner me van een Barthianum dat deze paragraaf veel discussie opriep. In hoeverre kan er bij Barth sprake zijn van ‘lichten’ in de wereld naast – of buiten – het ene Licht der wereld? Opnieuw twee papers.

Het eerste werd gepresenteerd door Jan Muis: ‘Barth on Christ as Prophet’. Na een analyse van Barths beschrijvingen van het profetisch ambt van Christus problematiseerde hij een aantal aspecten daarvan. Zijn voornaamste kritische vragen was: waarom wordt volgens Barth over Christus alleen getuigd door Christus zélf, en niet door de Vader en de Geest? Muis vindt bovendien dat zowel de Heilige Geest als het komende Koninkrijk er bij Barth wel erg bekaaid vanaf komen: de Geest als een soort ‘kracht van Christus’ en niet veel meer dan dat (zouden we niet beter spreken van ‘two interrelated actors, Christ and the Spirit’?); en de verkondiging van het Koninkrijk, de inhoud van de profetie, krijgt weinig vorm bij Barth. Markus Matthias vroeg zich in de vragenronde af of het denkbaar is om de Heilige Geest buiten Christus te ontmoeten, waarop Muis reageerde dat het aspect van ‘ontmoeten’ op de derde Persoon van de triniteit niet van toepassing kan zijn.

In de pauze hebben we een groepsfoto gemaakt tegen de achtergrond van een gedeelte van het Bartharchief:

Processed with VSCOcam with m5 preset
V.l.n.r. Gerard van Zanden, Markus Matthias, Jan Muis, Jeff Skaff, Kait Dugan, Rinse Reeling Brouwer, Cambria Kaltwasser, David Chao, Kate Sonderegger, Bruce McCormack, Benno van den Toren, Christophe Chalamet

Zo te zien moet ik nog wat werken aan mijn Amerikaanse glimlach.

Ten slotte presenteerde PhD-student Jeff Skaff zijn paper: ‘Karl Barth’s Dual Account of Truth Outside the Church in Church Dogmatics §69.2′. Hij besprak het verschil tussen Barths leer van de waarheid buiten de kerk en natuurlijke theologie, en benadrukte daarbij het belang van het onderscheid tussen Barths twee behandelingen van de waarheid buiten de kerk: eerst bespreekt Barth de waarheid buiten de kerk in het domein van de verzoening (‘seculiere gelijkenissen’), en daarna spreekt hij over de waarheid buiten de kerk in het domein van de schepping (natuurlijke lichten). In de discussie bleef een interessante vraag van Benno van den Toren helaas onbeantwoord: was zou het oecumenisch potentieel zijn van Barths Lichterlehre?

American Dinner

img-large-burger[1]Na al dit theologische geweld was het tijd voor bier en Amerikaans eten. Bij Winberie’s waagden David Chao en ik ons aan een enorme steak, waar een enkele niet bij namen te noemen Nederlandse professor zich stortte op een enorme Amerikaanse hamburger en die nog bijna op kreeg ook. Na het diner hebben enkelen nog een ijsje gegeten bij de klaarblijkelijk immens populaire Halo Pub, waar buiten al een lange rij stond te wachten op de felbegeerde ijsbolletjes. Na dagen van overeating heb ik deze lekkernij maar even aan mij voorbij laten gaan – waarop ik nota bene door mijn eigen gereformeerde collega’s werd uitgemaakt voor calvinist!

Princeton – maandag 24/8

Weer werden we te vroeg wakker (rond de klok van 05:00 uur), maar we hebben ontdekt dat dat geen probleem is, als je ’s avonds maar op tijd naar bed gaat. Die avond ervoor kreeg ik rond 21:00 uur, na een pagina of twee van de KD, al extreem zware oogleden. En dat lag niet aan de stof (§60, ‘Des Menschen Hochmut und Fall’)!

Amerikaans ontbijt

De vorige dagen moesten we zelf ergens eetgelegenheid zoeken – van het Princeton Theological Seminary (PTS) hadden we een mooie ‘meal stipend’ gekregen van 95 dollar – maar nu konden we terecht in de Dining Commons van de faculteit. Ook hier troffen we ons in Amerikaanse omstandigheden aan. Er staat een frisdrankautomaat met minstens vijftien soorten frisdrank en ze serveren er alles wat je maagje begeert: donuts in allerlei kleuren en soorten, frietjes, hamburgers, worst en kipnuggets. Gelukkig voor de zelfbewuste Nederlander trof men er, na goed zoeken, ook salade en yoghurt en muesli aan.

Session II: KD IV/1, §59.2 ‘The Judge judged in our place’

U zult wel denken: gaan die jongens ooit nog aan het werk? Jazeker wel! In de ochtend hebben we in een sessie van vier uur twee papers besproken: die van David Chao en mijn eigen paper. Centraal stond KD §59.2: ‘The Judge judged in our place’.

Chao%20-%20photo%20by%20Kim%20Schmidt[1]David Chao, een PhD-student van PTS, had boven zijn paper gezet: ‘The Divine Power and Human Obedience of the Son Who Takes Away the Sin of the World’. Hij besprak in grote lijnen de inhoud van de paragraaf met het oog op de kritische vragen die Thomas Joseph White had geleverd op Barth’s christologie in zijn verdediging van de christologie van Thomas van Aquino:

  • is Barths Redder wel ‘goddelijk’ of ‘bovennatuurlijk’ genoeg om te kunnen redden?
  • speelt (anderzijds) de menselijke kant van Jezus Christus wel een rol van betekenis?

David liep met ons de paragraaf door en concludeerde dat het bij Barth wel degelijk de kracht van God is die verzoening teweeg brengt, en dat er ook bij Barth sprake is van een ‘instrumental, efficient causality’ van Christus’ menselijk handelen, in de vorm van gehoorzaamheid.

En toen, na de koffiepauze, was ik zelf aan de beurt. Boven mijn paper had ik geschreven ‘”I forgave you all that debt” Breukelman’s Explanation of the Parable of the Unforgiving Servant (Mt 18:23-35) Compared with Barth’s Doctrine of Substitution.’ Het bestaat grofweg uit drie delen: (1) een weergave van Breukelmans uitleg van de gelijkenis, (2) een vergelijking met KD IV/1, §59.2, en (3) een uitwerking van twee punten van verschil tussen beide – wellicht had Barth nog iets kunnen leren van Breukelman.

De discussie na afloop was heel leerzaam en ik zal mijn paper nog wat moeten bijschaven op een aantal punten. Zo beweer ik bijvoorbeeld dat je verschillende metafoorgroepen niet zomaar kunt scheiden van elkaar en bedoel dat als kritiek op Barth, maar Barth kiest (aldus McCormack) bewust één centraal beeld, namelijk dat van de rechtspraak, en integreert daarin ook bijvoorbeeld cultische beeldtaal. Kate Sonderegger dacht hardop na over de reden waarom we bij Barth na 1925 de gelijkenis niet meer aantreffen. Misschien omdat de schuld van 10.000 talenten teveel zou lijken op een kwantitatief gegeven? We hadden niet veel tijd om diep op deze zaken in te gaan, maar het leverde genoeg denkstof op om aan de omwerking naar een tijdschriftartikel te beginnen.

Wat ook bleek, eens te meer: voor Amerikanen is het volstrekt onmogelijk om mijn naam uit te spreken.

Session III: KD IV/1, §64.2 ‘The Homecoming of the Son of Man’

Na de lunch was de beurt aan Matthias en McCormack. Markus Matthias bracht enkele punten van kritiek in op Barths leer van de unio personalis van Christus, dus hoe de menselijke natuur van Christus zich verhoudt tot Zijn goddelijke. Matthias’ hoofdpunt van kritiek betrof Barths weergave van de Lutherse orthodoxie. Barth heeft, volgens hem, te selectief gelezen en daardoor is er een vertekend en eenzijdig beeld ontstaan. Dat beeld werd door Reeling Brouwer en McCormack wat bijgesteld in de discussie. Een interessant discussiepunt betrof het spreken over veranderlijkheid van God: verandert er werkelijk iets in God op het moment van de incarnatie? Markus verdedigde van wel: er is sprake van een voortdurend proces van ‘mutual self-giving’ tussen de menselijke en goddelijke natuur van Christus. Voor de liefhebber van klassieke christologie was het smullen. Alles kwam voorbij: het genus tapeinoticon en het genus majestaticum, de en-/anhypostasis, de communicatio idiomatum/gratiarum/naturarum, de status exaltationis/exinanitionis… anderzijds was het voor een niet-ingewijde in de finesses van de incarnatieleer bepaald niet gemakkelijk om alles goed te volgen.

Bruce McCormack had een paper geschreven over ‘actualisme’: ‘”We have ‘actualized’ the doctrine of the incarnation…”: Musings on Karl Barth’s Actualistic Theological Ontology’. Opnieuw werden de kernbegrippen unio, communio en communicatio afgewogen. In een enorme voetnoot van drie pagina’s (!) zette hij zijn eeuwige strijd voort met George Hunsinger, die zelf helaas niet kon deelnemen aan de consultatie. Kernpunt van zijn verhaal was, dat het gebeuren van de incarnatie alleen vanuit de Heilige Schrift begrepen kan worden en niet vanuit een of ander standpunt daarbuiten. Het Bijbelse incarnatieverhaal moet de christologie bepalen en daarmee dus ook de Godsleer. En dan wordt het spannend, zo bleek in de discussie. Want (aldus McCormack): je kunt geen echte communicatio bedenken tussen God en mens in de Godmens Jezus Christus, als je blijft vasthouden aan de onveranderlijkheid en de eenvoud (simplicity) Gods. Ook moet je Gods vrijheid anders gaan definiëren: als uit de Schriften blijkt dat God een keuze maakt om op een bepaalde manier te handelen, dan legt Hij zich daarop vast. Neemt Hij daarmee afstand van Zijn absolute vrijheid? In zekere zin.

Een beter mens dan voorheen? – Heiliging

Aan het einde van de discussie werd er een ander interessant punt aangesneden. De vraag werd ingebracht door PhD-studente Cambria Kaltwasser: in hoeverre laat de theologie van Barth ruimte voor een daadwerkelijke verandering van een mens? McCormack antwoordde dat ‘bekering’ bij Barth gaat om het krijgen van een nieuwe oriëntatie in je leven, niet om het worden van een ‘beter’ mens. ‘Ik heb nog nooit een vergoddelijkte christen gezien!’ zei hij, en voerde aan dat er in een bepaalde vorm van ascese misschien wat aan heiligheid te winnen valt (in het klooster bijvoorbeeld), maar dat het concrete leven, te midden van gezin, vrienden en werk, nu eenmaal zonde blijft kennen. Kaltwasser: ‘Heeft het dan nog zin om ethische overwegingen te maken?’ En Benno van der Toren: ‘Speelt de Heilige Geest geen heiligende rol?’ – we zijn er nog niet over uitgepraat!

Carnegie Lake

We dineerden in een Indisch restaurant, waar ‘spicy’ ook echt ‘spicy’ bleek. Daarna heb ik nog wat gedwaald over de campus van Princeton University en in de hitte van de avond uitgekeken over Carnegie Lake. Het is heerlijk hier. Maar ik benijd Cambria en David wel een beetje, die ’s avonds gewoon terug kunnen gaan naar hun gezinnetje.

Princeton – dag 3 (zondag 23 augustus)

De Nederlandse delegatie werd zondag veel te vroeg wakker – vanwege de jetlag – zo rond de klok van 04:00 uur. En zo kwam het, dat er die zondagochtend in Princeton veel uit de KD gelezen werd, buiten op een bankje of binnen op bed.

Nadere Reformatie

Als keurige Veluwse jongen ben ik groot geworden met de zondagsrust als een gegeven. Op zondag ga je naar de kerk, en verder doe je niet zoveel. Ik weet nog wel, dat mijn ouders op zondag ook geen tv keken – hoewel sinds enkele jaren Studio Sport de strijd toch heeft weten te winnen.

In Princeton zitten de eetgelegenheden en barretjes op zondagochtend net zo vol als op vrijdagavond. Het is hier even druk op de weg als op iedere andere dag, en ook op het seminarie is er gewoon baliepersoneel aanwezig, de zondagse editie van de New York Times ligt bij de koffiebar, en is de bibliotheek gewoon geopend. De Nadere Reformatie heeft hier blijkbaar geen invloed gehad op het zondagse leven.

Professor Muis had een kerk uitgekozen waar we naartoe zouden gaan: de Witherspoon Street Presbyterian Church, vanouds een zwarte kerk in de zwarte wijk van Princeton. Net als in de meeste Nederlandse PKN-kerken was er in de kerkzaal genoeg plek om languit op de bank te liggen – ook in de Verenigde Staten lijdt de volkskerk onder verregaande secularisatie.

De preek werd gehouden door rev. Melissa Moore, een jonge, blanke predikante die eens in de zoveel tijd in Witherspoon preekt. Als nieuwkomers werden we uitgenodigd om tijdens de dienst op te staan en te vertellen wie we waren. We werden van harte welkom geheten en na afloop van de dienst was er een heerlijke lunch in de zaal achter de kerk. Daar heb ik lange tijd gesproken met Verita, een Afro-Amerikaanse (als dat de politiek correcte term is, ik hoop het) jongedame, werkzaam aan de universiteit en afkomstig uit North Carolina. Ze was heel open over hoe ze de gebeurtenissen in Charleston had ervaren, en ook hoe het is om als zuiderling in Princeton te wonen en te werken. Ze kon hier goed aarden, maar had wel het idee dat sommige Princetonians intellectueel gezien wat op haar neerkeken omdat ze – als zuiderling – nu eenmaal wat langzamer praat dan de meeste mensen hier, die over het algemeen uiterst bijdehand en spreekvaardig zijn. Alsof snelheid van spreken samenvalt met snelheid en kwaliteit van denken…

Sessie 1: Christus’ weg in den vreemde

’s Middags hebben we de eerste sessie gehouden van onze consultatie. Locatie: het Barth Center, de droom van iedere Barthonderzoeker. Kait en Nathan Maddox hebben inmiddels een kopie bemachtigd van ongeveer de helft van alle artikelen die ooit (!) over Barth geschreven zijn. Dat zijn er zo’n tienduizend, en die staan allemaal keurig geordend in mappen tegen de muur van het Barth Center. Kait heeft postkaarten laten maken met afbeeldingen van de grote meester erop, afkomstig uit een audio-visueel archief dat vele honderden afbeeldingen bevat. Kun je zo meenemen!

Bruce McCormack, die ik in Kampen, Amsterdam en Driebergen wel eens heb ontmoet, zat de eerste sessie voor. Rinse Reeling Brouwer hield een inleidend verhaal over de ontwikkelingen in Barths christologie tussen grofweg 1920 en 1968 – een enorme opgave, aangezien de gehele KD zelf al het karakter heeft van een christologie! Daarna hield Christophe Chalamet een verhaal over §59.1 van de KD, ‘Der Weg des Sohnes Gottes in die Fremde’, waarin Barth beschrijft hoe God de Zoon het menszijn op zich neemt en daarmee iets doet wat ‘nieuw’ voor Hem is – maar kun je eigenlijk wel spreken van ‘nieuw’ als God intrinsiek zo is, namelijk als Iemand die Zichzelf geeft? Is er sprake van kenose, en zo ja: in welke zin?

Onbegrip

Tijdens de discussie na de lezingen merkte ik dat ik niet alles meteen begreep. Cambria, een promovenda van Princeton, had gelukkig dezelfde ervaring, zo bleek tijdens het diner. Navraag bij Rinse wees uit dat veel discussies al zo’n vijftien jaar lang (!) spelen, en dat het dus niets is om mij voor te schamen omdat ik die vijftien jaar voorkennis mis.

Het diner vond plaats in een Italiaans restaurant. Het eten was heerlijk (en dat maakte dat ik eigenlijk iets teveel gegeten heb), en het gezelschap aangenaam. Morgen de grote dag: dan moet ik mijn eigen paper gaan presenteren!

Princeton – dag 2 (zaterdag 22 augustus)

De jetlag

De zaterdag stond in het teken van het onaangename fenomeen dat ‘jetlag’ heet. Ik werd om vijf uur wakker en kon de slaap niet meer vatten. Toen ik, na eindeloos woelen op een te warme kamer, me dan toch maar ging douchen en ergens koffie vandaan haalde, kwam ik professor Van den Toren tegen. Onder het genot van een bakje koffie (waar verdacht weinig koffie in zat, volgens de verpakking zo’n 30 procent) verdiepte ik mij buiten op een bankje in de New York Times, waarschijnlijk de beste krant ter wereld, terwijl Benno zich naast mij verdiepte in zijn dagelijkse Schriftlezingen. Je kunt je dag niet beter beginnen.

Heet onder de voeten

In Princeton is het in deze tijd van het jaar warm. Heel warm. ’s Ochtends vroeg, als de zon boven de enorme eiken uitkomt, voel je het met de minuut een graadje warmer worden. ’s Middags komt de temperatuur boven de dertig graden uit en de luchtvochtigheid is hoog. In de gebouwen van de universiteit is het ondertussen zo’n tien graden koeler, omdat overal de airco staat te loeien. Een van de mooiste plekken om verkoeling te zoeken, is de gloednieuwe bibliotheek van Princeton Theological Seminary. Er zijn weinig studenten – de colleges zijn nog niet begonnen – dus je kunt er languit op de bank je KD’tje lezen.

’s Middags zijn we ieder ons weegs gegaan. Ik heb wat over de immense campus gedwaald, wat gedommeld op het gazon, en werd daar in mijn hand geprikt door een insect waarvan ik maar hoop dat het geen tseetseevlieg was. Het jeukt in ieder geval wel enorm.

Met Reeling Brouwer had ik afgesproken dat we om 02:00 uur mijn jaarlijkse voortgangsgesprek zouden voeren. Voor iedere promovendus is dat even peentjes zweten, want ja: wat heb je het afgelopen jaar eigenlijk bereikt, en hoe denk je je onderzoeksproject ooit af te ronden? Het was gelukkig een heel constructief gesprek. Het afgelopen jaar heb ik aan twee grotere deelonderzoeken gewerkt. Allereerst aan een artikel over Breukelman en de Amsterdamse School; dat artikel wordt opgenomen in het volgende nummer van de Amsterdamse Cahiers en professor Joep Dubbink van de VU gaat het, zo vertelde hij mij, gebruiken in zijn colleges, het komende semester.  Daarnaast heb ik gewerkt aan de lezing die ik maandag moet gaan houden, over Breukelman en Barth. Met Rinse heb ik nagedacht over de mogelijkheden om dit in te passen in mijn onderzoek. We zijn gekomen tot de volgende opzet:

  1. De theologie van Breukelman
  2. Een case study: de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht
  3. Breukelman en de Amsterdamse School
  4. Breukelman en het existentialisme
  5. Conclusie

Tot mijn grote schrik en blijdschap kwamen we er toen achter dat ik dus al ongeveer halverwege ben met mijn onderzoek! Alleen onderdeel 4 moet nog helemaal opgezet, onderzocht en uitgewerkt worden. Dat staat voor komend jaar gepland – en u moet het maar niet verder vertellen, maar we mikken op een publicatie in Theologia Reformata.

Dineren

AAEAAQAAAAAAAAJzAAAAJDYyY2I2NjIxLTRlZGEtNDFkNi1hMjgzLTEyNTI3NGQ4YjRhMA[1]Inmiddels was Kaitlyn – Kait – Dugan, curator van de Barthcollectie van de bibliotheek en gastvrouw van onze delegatie, naar het Erdmans Guesthouse gekomen om ons wegwijs te maken op de campus. Ook professor Christophe Chalamet, als professor Systematische Theologie verbonden aan de Université de Genève, was gearriveerd. Als ex-Princtonstaflid neemt hij deel aan onze conferentie namens de Chalamet[1]Amerikanen. Alleen Markus Matthias ontbrak nog. Hij zou de volgende ochtend arriveren, nadat hij een rondreis door Pennsylvania had gemaakt om eindelijk met eigen ogen te zien waarnaar hij lange tijd studie gemaakt heeft: het piëtisme dat Duitse immigranten meenamen naar Amerika.

Samen met Kait en Travis, een masterstudent die op indrukwekkende wijze het ‘sjema Israël’ uit Deuteronomium 6 op zijn rechter bovenarm getatoeëerd heeft staan, hebben we heerlijk gegeten en gedronken in het centrum van Princeton. Daarna snel naar bed, want inmiddels was het de vooravond van de Dag des Heeren.

Princeton – PThU Consultation – dag 1 (8/21/2015)

Professor Gijsbert van den Brink verwisselde onlangs zijn aanstelling aan de PThU voor een professoraat aan de VU. Nu is het nooit leuk om een zo begaafde collega te zien vertrekken, maar in dit geval had het voor mij toch ook een aangenaam gevolg: in plaats van Van den Brink mocht ik, als eenvoudige promovendus, dit jaar mee met de Nederlandse delegatie naar Princeton New Jersey, voor de tweejaarlijkse Princeton Amsterdam/Groningen Consultation – Voorheen de Princeton – Kampen Consultation.

Er zat wel een voorwaarde aan vast: ik moest een paper voorbereiden en dat paper presenteren, te midden van diverse weledelgeleerde hoogleraren. De te behandelen tekst en het onderwerp van de lezing lagen al vast: het moest gaan over paragraaf 59.2 uit Barths Kirchliche Dogmatik, ‘Jesus Christus, der Richter als der an unserer Stelle Gerichtete’, of zoals ze dat hier in Engels zeggen: ‘Jesus Christ: The Judge judged in our place’. Onderwerp: rechtvaardiging.

Nu heb ik de afgelopen twee weken verlof gehad van mijn werkzaamheden als predikant, en heb ik mij dus nagenoeg volledig kunnen storten op het verhaal dat ik komende maandagmiddag moet gaan houden. In overleg met mijn begeleider, Rinse Reeling Brouwer, heb ik ervoor gekozen om Barth’s tekst te koppelen aan Breukelmans uitleg van de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht (Mattheüs 18:23-35). Het heeft de nodige hoofdbrekens gekost, maar op de dag voor vertrek was het af en vertaald en verzonden. Overmorgen is de grote dag…

IJsland

De afdeling Financiën moet tegenwoordig op de kleintjes letten, en daarom vlogen de professoren Rinse Reeling Brouwer, Jan Muis en Benno van den Toren en ik met Iceland Air via IJsland naar Amerika. Van IJsland hebben we natuurlijk helemaal niets gezien, maar het schijnt dat er vreemde dingen aan de hand zijn op het eiland. Zo wonen er bijvoorbeeld slechts 320.000 mensen. Van die mensen wordt bijgehouden welke religie ze aanhangen. Wat blijkt? Zoals je mag verwachten van een volkskerk, doet de Evangelisch-Lutherse Kerk het er goed. 85% van de mensen noemt zich Lutheraan. Opvallender is dat ongeveer 1 op de 100 IJslanders zichzelf beschouwt als aanhanger van Ásatrú, een geloof dat zich baseert op de oude Germaanse religie. Met Muis en Reeling Brouwer in ons midden ging het natuurlijk al snel over Edda en Thora, het boek van Miskotte waarin hij beschrijft hoe Christendom, Jodendom en Heidendom zich volgens hem tot elkaar verhouden. Helaas is het er niet van gekomen om een IJslander eens stevig aan de tand te voelen over zijn geloofsvoorstellingen.

Grenscontrole

New_York_skyline2-402x184[1]Om 11:45 uur waren we op Schiphol, om 15:00 uur op IJsland, en om 19:00 uur in New York. Dat klinkt goed, maar dat is het niet. Intussen waren er namelijk 6 extra uren verstreken: toen we aankwamen was het eigenlijk 01:00 uur ’s nachts, Hollandse tijd. Bovendien: twee keer stijgen, twee keer landen, bestemming: New York… en ik heb mijzelf, helaas, na 11 september 2001 een milde vorm van vliegangst aangepraat. Vervolgens moesten we nog door de douane. Bij de controle kneep ik ‘m nog even. ‘Wist u dat uw paspoort bijna verloopt, meneer?’ ‘Ja, dat wist ik.’ ‘Wist u dat uw paspoort nog zes maanden geldig moet zijn na aankomst?’ – Nee, dat wist ik niet… Gelukkig zag ik er heel betrouwbaar en vredelievend uit, en mocht ik het Land van de Onbegrensde Mogelijkheden gewoon binnengaan.

Toen moesten we overigens nog een uur met de trein naar Princeton en een stukje met de taxi. Tegen half tien ’s avonds (= 03:30 uur Hollandse tijd) lagen we eindelijk op bed. Maar: ik leef nog, we leven allemaal nog, en zelfs de bagage is veilig overgekomen. En nu? Aan de studie!

Het procrustesbed van Bultmanns Entmythologisierung

Een hervormd theologiestudent behoefde vóór de invoering van de zogenaamde tweefasenstructuur in het hoger onderwijs in 1981 geen doctoraalexamen te doen aan de staatsfaculteit om aan de slag te kunnen als gemeentepredikant. Het was daarom gebruikelijk dat dominees pas later doctoraalexamen deden – en vaak kwam het er zelfs helemaal niet van.

Toen Breukelman in 1968 op initiatief van enkele student-assistenten en op voordracht van kerkelijk hoogleraar dogmatiek G.C. van Niftrik aangesteld werd als wetenschappelijk hoofdmedewerker hermeneutiek aan de Universiteit van Amsterdam, had hij nog altijd geen doctoraalexamen gedaan – en dat terwijl hij in zijn jaren als predikant toch voortdurend in zijn studeerkamer te vinden was. In 1954 had Miskotte hem nog op het hart gedrukt om zich te ‘concentreren op doctoraal en promotie’ (Reeling Brouwer 2012, 30), maar dat had geen effect gehad. Nu moest hij toch echt doctorandus worden. Op 27 juni 1968 deed hij daarom doctoraalexamen.

1. Doctorale (stoom)scripties

Het examen bestond uit twee delen. Het ene deel is als vierde hoofdstuk opgenomen in BT I/3. Het heet ‘Gesprek met Claus Westermann’ en werd in opdracht van M.A. Beek door Breukelman in tien dagen tijd geschreven als ‘stoomscriptie’. Het andere deel bestond uit het schrijven van een ‘gewone’ scriptie, onder begeleiding van J.N. Sevenster (Bossevain 2006, 53). Breukelman schreef daartoe in 1967 een uitvoerige tekst over onder de titel ‘Beoordeling van Rudolf Bultmanns beschrijving van de eschatologie van Paulus in zijn boek ‘Theologie des Neuen Testaments”, gedeeltelijk verschenen in Om het levende woord 2 (1993) en postuum volledig opgenomen in BT IV/2 onder de titel ‘Rudolf Bultmann over de eschatologie van Paulus. Een vergelijking van de theologie van Rudolf Bultmann met die van Karl Barth’. Breukelman is 51 jaar oud als hij zijn doctoraalexamen aflegt.

2. Het sturende interpretatiekader van Bultmann

De inhoud van de scriptie over Bultmann kan kort worden weergegeven:

2.1 Bultmanns existentiële interpretatie

Bultmann: historicus en filosoof – Een Bijbels theoloog, zo schrijft Breukelman, moet zijn eigen vooronderstellingen kennen. Breukelman zet daarom zijn beoordeling van Bultmann in met een opsomming van diens hermeneutische uitgangspunten en hun herkomst. De historicus Bultmann ontleent zijn opvattingen over ‘natuur’ en ‘natuurwetenschap’ uit de filosofie van de Verlichting. Hij benadert de geschiedenis vanuit een natuurwetenschappelijke visie, en zo komt de moderne mens tegenover de antieke mens te staan. De existentialistische filosoof Bultmann is sterk beïnvloed door Kierkegaard en de vroege Heidegger (83-84) en beschouwt zichzelf als iemand die met zijn ontmythologiseringsproject het ontmythologiserende werk van Jezus, Johannes en Paulus voortzette.

Rudolf Bultmann (1884-1976)
Rudolf Bultmann (1884-1976)

Historische of existentiële interpretatie – Wie het Nieuwe Testament wil begrijpen, moet de teksten niet historisch maar existentieel interpreteren (89). Dat geldt ten eerste voor het interpreteren van het heilsgebeuren in het verleden, inclusief Christus’ kruisdood: het wérkelijke heilsgebeuren speelt zich uitsluitend af in het héden van de verkondiging, niet in het historische verleden of in een bepaalde geesteshistorische ontwikkeling door de eeuwen heen. (93) Maar het geldt ook voor het komende heilsgebeuren (de eschatologie): Bultmann verwisselt de Bijbelse gedachte van een historisch eschatologisch gebeuren met een existentialistische variant: ‘eschatologisch’ is:  ‘de mens voor de beslissing stellend hoe hij wil existeren: blijven in de slavernij of leven in vrijheid’ (87). Voor een feitelijk eschatologisch ‘einddrama’, waarin de toekomst afgesloten wordt, kan geen plaats zijn bij Bultmann, want dat zou een existentiële interpretatie in de weg staan. Voor het geloof is het essentieel dat er áltijd een toekomst is waarop gehoopt en in geloofd kan worden. God blijft altijd de komende! – maar, zo bemerkt Breukelman: Hij kómt in feite nooit, want ‘Das Verhältnis von Gott und Mensch ist den Bindungen der Weltgeschichte entnommen’ (103).

Breukelmans vraag hierbij is: wat geeft hier de doorslag in de interpretatie van de Bijbelteksten? Zijn het de Bijbelse teksten zelf, of zijn het Bultmanns filosofische vooronderstellingen? Bultmanns bewering dat het bij het (ware) menszijn hoort om altijd voor de toekomst open te staan, ook al is die mens er voortdurend toe geneigd om zichzelf daarvoor af te sluiten, is eerder te herleiden tot zijn filosofische uitgangspunten dan tot het mensbeeld van een of meerdere Bijbelschrijvers (91).

2.2 Het uiteenvallen van ‘Historie’ en ‘Geschichte’

Tertium non datur? – Tussen historische interpretatie (wereldgeschiedenis, ‘Historie’) en existentiële interpretatie (‘Geschichtlichkeit des menschlichen Daseins’) pleit Breukelman voor een derde mogelijkheid, namelijk die van de geschiedenis van God zélf. Zowel Bultmann als Barth beseffen dat de Bijbel vaak getuigt van een ‘onhistorische geschiedenis’. Onhistorisch betekent niet ‘niet gebeurd’ of ‘onwerkelijk’, maar: ‘zulk een gebeuren, dat voor de historicus àls historicus niet waarneembaar en niet verifieerbaar is’ (94, noot 42). De wegen van Bultmann en Barth gaan vervolgens echter uiteen. Barth kiest ervoor (en Breukelman met hem) om heel het voorstellings- en begrippenmateriaal die méékomen met de Bijbelse teksten, ook mee te nemen in de uitleg van de teksten. Bultmann schrijft veel van dat materiaal bij voorbaat af door alleen de existentiële aspecten van de teksten in de uitleg te verdisconteren.

De nieuwtestamentische Bijbelschrijvers hebben, volgens Breukelman, vrijelijk gebruik gemaakt van het mythologische en wereldbeschouwelijke materiaal dat hun voorhanden was, maar ze verbonden zich er niet aan. Bijbels theologen kunnen hun teksten op allerlei manieren duiden, als de theologie van de Tenach maar het raamwerk vormt waarbinnen die teksten worden uitgelegd. (96) Zo moeten bijvoorbeeld de Bijbelse beschrijvingen van tijd en plaats niet ondergeschikt gemaakt worden aan een ‘eschatologisch’ interpretatiekader (110).

Paulus, Johannes, Jezus, Urgemeinde – In de theologie van Paulus en Johannes gaat het volgens Bultmann om ‘eine einheitliche, eine neue und eigenartige Grundauffassung von der menschlichen Existenz’. Breukelman vraagt zich af: is dát nou ‘theologie’, of is het veeleer ‘existentiale interpretatie van het kerygma’? (98.111-112) Aangaande Jezus vraagt Bultmann zich af: is Jezus’ Godsgedachte niet een fantasie geweest (105)? Het antwoord kan volgens hem in ieder geval niet zijn dat Jezus zichzelf zag als het aanbreken van het Koninkrijk der hemelen. Breukelman reageert door te stellen dat het juist de crux van het Mattheüsevangelie is dat de persoon Jezus Christus de ‘gegenwart des Gottesherrschaft’ in zich sluit! (106)

‘Aan alles is te merken, dat Bultmann voortdurend in strijd is met heel de structuur van de bijbelse verkondiging, doordat hij de Tenach als raam waarbinnen het apostolische kerygma wil worden gehoord en uitgelegd, heeft ingeruild tegen een uittreksel uit de filosofie van de jonge Heidegger met daar doorheen gemengd een flinke scheut kantiaanse en neokantiaanse Aufklärung.’ (111)

Geloof als een perspectief op de werkelijkheid – Maar wat als Gods handelen alleen betrekking heeft op de menselijke existentie en niet op de totaliteit van het wereldgebeuren in tijd en ruimte? Breukelman noemt het uiteenvallen van ‘Geschichte’ in ‘Geschichtlichkeit’ en ‘Historie’ ‘niets minder dan een ramp’. (116) De werkelijkheid van geloof wordt hierdoor namelijk losgeweekt van de alledaagse (historische) werkelijkheid. Bultmann ziet het christelijk geloof als een perspectief op fenomenen van de werkelijkheid zoals een mens die tegenkomt in zijn leven (bijvoorbeeld zichzelf, de ander, de wereld, het leven, de geschiedenis). Het christelijk geloof biedt volgens Bultmann het best mogelijke perspectief op de werkelijkheid. De epistemologische volgorde is hier bij Bultmann: zelfkennis > Godskennis, en het initiatief ligt bij de mens: hij moet tot inzicht komen en zichzelf losmaken van zijn oude zelfverstaan ‘naar het vlees’ om te leren leven ‘naar de Geest’ (137-138). De mogelijkheid gaat bij Bultmann vooraf aan de werkelijkheid.

Bultmann versus Barth – Bij Barth daarentegen krijgt de mens door God een perspectief aangereikt dat hij van zichzelf uit nooit had kunnen bedenken. De werkelijkheid gaat bij Barth vooraf aan de mogelijkheid. De kenweg wordt in omgekeerde volgorde afgelegd: van de Godskennis wordt het de mens gegeven om zichzelf anders te verstaan. Antropologie is een onderdeel van de theologie (vgl. KD III/2). Breukelman ziet in Barths relationele antropologie een adequatere omschrijving van het menszijn dan in het modern-indivualistische mensbeeld van Bultmann.

De kern van Breukelmans betoog wordt gevonden op pagina 159, waar hij de filosofische vooronderstellingen van Bultmann vergelijkt met Barths theologie:

‘Deze existentialistische ontologie fungeert bij Bultmann als het raam, waarbinnen de inhoud van het kerugma wordt ontvouwd. Als raam, waarbinnen de inhoud van het kerugma wordt ontvouwd fungeert daarentegen bij Barth de door de Tenach betuigde ‘Bundesgeschichte’.’

Volgens Breukelman doet de theologische methodiek van Barth recht aan de teksten, terwijl Bultmanns methodiek de teksten in een raamwerk drukt die ze eigenlijk niet kunnen verdragen.

3. De beoordeling van Breukelmans scriptie

Het afleggen van zijn doctoraalexamen was voor Breukelman geen positieve start als staflid van de UvA. Hij blikt er zelf op terug (Breukelman 2004, 25 en Breukelman 1981, 3):

‘[D]e examinatoren hebben me heel gemeen behandeld. Ze hebben me goed laten voelen, dat dat jongetje zich niets verbeelden moest. Maar goed, na dat examen ben ik wetenschappelijk hoofdmedewerker geworden.’

‘Zo vlug als ik maar kon heb ik m’n doctoraal examen gedaan, maar (heel zachte stem, alsof hij samenzweert) het was niet zo wetenschappelijk allemaal. Ja, ik kreeg het, maar niet cum laude. Ik had cum laude moeten slagen. Vond ik zelf. Niet dat ik er zo op gesteld was, maar het was (alsof hij een zaal toespreekt) zo origineel en verrassend en bevrijdend en nuttig en zinvol en terzake en exact.’

Het werd geen ‘cum laude’, maar ‘zonder bezwaar’, het laagst mogelijke… Afgezien van de inhoud van de scriptie zal het feit dat Breukelman zich niet heeft willen conformeren aan de gangbaar academische schrijfstijl niet hebben bijgedragen aan een gunstige beoordeling. Hij schrijft bijvoorbeeld: ‘Bultmann doet in zijn Theologie des Neuen Testaments het Nieuwe Testament in het bad van zijn religieuze existentie-filosofie om het er van alle mythologie chemisch gereinigd en consequent ‘existential’ geïnterpreteerd weer uit te voorschijn te halen.’ (96) Ook Breukelmans kleurrijke beschrijving van het verschil tussen Bultmanns standvastige en onveranderlijke theologische houding en Barths dynamische theologische houding (100-101) komt de zakelijkheid van zijn argument niet ten goede.

Ook zijn persoonlijke omgangsvormen zullen niet bevorderlijk zijn geweest voor de welwillendheid van de examinatoren. Wegens file in de Maastunnel kwam hij te laat op zijn examen, en verder was Breukelman gewend om zinswendingen te gebruiken als ‘Begrijp je?’ Tegenover studenten is dat acceptabel, maar bij hoogleraren kan het onbedoeld negatieve gevoelens opwekken…


Literatuur
  • F.H. Breukelman, ‘Van de mens moet je zeggen dat hij niet had moeten ontstaan. In gesprek met Frans Breukelman’, HN Magazine 37 (2 mei 1981), 3–4
    opgetekend door Kees Waagmeester
  • F.H. Breukelman, ‘Rudolf Bultmann over de eschatologie van Paulus. Een vergelijking van de theologie van Rudolf Bultmann met die van Karl Barth’, in: L.W. Lagendijk (red.), Theologische opstellen (Bijbelse theologie IV/2; Kampen: Kok, 1999), 83-175
  • F.H. Breukelman, ‘Interview VE90’, in: N.T. Bakker, C. Mataheru, et al. (red.), Eén zo’n mannetje: Frans Breukelman en zijn invloed op tijdgenoten (Kampen: Kok, 2004), 15-32
    opgetekend door B. Rootmensen, I. Bakker & L. Houweling
  • A.H. Boissevain, ‘Breukelman, Frans Hendrik (1916-1993)’, in: D. Nauta, A. de Groot, et al. (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme 6 (Kampen: Kok, 2006), 52-54
  • D. Garderbos & H. van Capelleveen (red.), Ouvertures van Genesis (Bijbelse theologie I/3; Kampen: Kok, 2010)
  • R.H. Reeling Brouwer, De man en zijn karwei. Over Frans Breukelman (1916-1993) (Gorinchem: Narratio, 2012)