Het begin en het einde van Interpretatie

interpretatieHoe verdrietig ook: het blad Interpretatie is opgehouden te bestaan met ingang van 2015. Het was een tijdschrift voor Bijbelse theologie, en zeker in de beginjaren was het theologiseren van Frans Breukelman en de Amsterdamse School nadrukkelijk aanwezig in de kolommen van het blad.

Vorige week heb ik wat veldonderzoek verricht: weer en wind heb ik getrotseerd om de eerste vijf jaargangen (1993-1997) bij de bibliotheek van de Vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen te kunnen doorsnuffelen. Op woensdag 28 januari de eerste poging ondernomen. Behalve doorweekte kleding leverde het niets op, omdat de gescande bestanden niet op het opgegeven e-mailadres aankwamen. De tweede poging op vrijdag 30 januari slaagde gelukkig wel.

Het heeft mooie vondsten opgeleverd:

1993

1994

1995

1996

 

Citaat van de dag

SAMSUNGDe verhouding tussen Miskotte enerzijds en Breukelman en de Amsterdamse School anderzijds is nagenoeg in kaart gebracht. Nog 300 pagina’s Om het levende Woord (1948) verwerken, en de pagina over K.H. Miskotte is af. Dat vieren we met een citaat uit datzelfde boek (p. 77-78):

‘Het sola fide is correlaat met het solo Verbo; wij hebben geen toegang tot de heilige historie dan via de Schrift, de heilige historie is in de Schrift ingegaan en vervat, zij is | nergens present voor ons dan in het Woord, d.i. in het dabar, het sprekende, ons ontmoetende, roepende, zegenende woord. De daden Gods, de heilsfeiten, of hoe men het noemen wil, komen in ons leven en raken ons hart krachtens de werking van het Woord. Daarom is het ‘Schriftprobleem’ zoo klemmend; daarom is het begrijpelijk, dat men de leer van het testimonium beurtelings als onneembare citadel en als zeer kwetsbare achillespees van het reformatorisch geloof heeft beschouwd.’

Heb een mooie dag!

De vader der vaderen

In de aanloop naar een artikel over de ‘Bijbelse theologie’ van de Amsterdamse School (met focus op Breukelman) heb ik teruggegraven naar de eerste beginselen van de ‘Amsterdamse’ exegese. Dan kom je uit bij Juda Palache, een groot Joods geleerde die gedoceerd heeft aan de UvA.

Juda Palache (1886-1944)

Juda Palache (1986-1944)
Juda Palache (1986-1944)

Jehuda Lion (Juda) Palache werd te Amsterdam geboren op 26 oktober 1886 als kind van de Amsterdamse opperrabbijn Isaac Palache (1858-1926) en Judith Spinoza Catella Jessurun. In 1917 trad hij in het huwelijk met Sophia Wilhelmina de Pinto. Ze kregen een dochter en twee zoons. In 1914 deed hij zijn kandidaatsexamen te Leiden (semitische talen). In 1920 werd hij leraar aan het Leids gymnasium en in 1924 hoogleraar ‘taal- en letterkunde der Semietische Volken, de Israëlitische Oudheden en de uitlegging van het Oude Testament’ aan de Universiteit van Amsterdam. Aanvankelijk werd er bezwaar ingebracht tegen een aanstelling van deze joodse man, die een functie zou gaan hebben in de opleiding van protestantse predikanten. De bezwaren bleken ongegrond en Palache bekleedde zijn leerstoel tot 1941. Toen werd hij ontslagen vanwege de anti-joodse verordeningen die opgelegd waren door de Duitse bezetter. In 1944 werd Palache met zijn vrouw naar Theresienstadt gedeporteerd. Samen werden ze op 18 oktober 1944 in het Poolse Auschwitz vermoord.

De Bijbel uit het hoofd

Palache was buitengewoon goed thuis in de geschriften van het Jodendom. Zijn opvolger professor M.A. Beek memoreert in zijn artikel ‘Verzadigingspunten en onvoltooide lijnen in het onderzoek van de oudtestamentische literatuur’:

“Voor Buber en Rosenzweig was het horen een vanzelfsprekende zaak, zo goed als voor mijn voorganger in Amsterdam, de joodse geleerde Palache, die de gehele Biblia Hebraica uit zijn hoofd kende.”

Daarnaast was hij gespecialiseerd in de semitische literatuur (met name het Arabisch), en dat bracht hem ertoe een bijzondere visie op de oudtestamentische vertelkunst te bepleiten in zijn inaugurele rede uit 1925, ‘Het karakter van het oud-testamentische verhaal’.

De Bijbel als verhaal

In zijn inaugurele rede zet hij drie belangrijke stappen voorwaarts in de studie naar het Oude Testament:

  1. Palache las de Bijbelverhalen als oud-oosterse verhalen van een bepaald genre, en vergeleek die met parallellen in andere oud-oosterse literatuurbronnen. Hij kwam tot de conclusie dat het verhaal een geliefde vorm was in het oude Oosten om gedachten over te brengen. Hiermee kiest Palache voor een literaire benadering en zet hij de historische benadering op het tweede plan.
  2. In de jaren twintig van de vorige eeuw was het gangbaar om het Oude Testament historisch-kritisch te benaderen. Palache merkte daarbij op dat er naast de ontstaans-geschiedenis van een tekst ook een bestaans-geschiedenis is. De teksten zelf hebben ook een eeuwenlange historie. Palache schetst een lijn van verhaal naar traditie naar werkelijkheid (‘Het karakter van het oud-testamentisch verhaal’, 31-32).
  3. Palache veronderstelt dat de Bijbelschrijvers of -redacteuren de hun aangereikte teksten niet klakkeloos hebben overgeschreven. Ze hebben een behoorlijke zelfstandigheid gehad in het vormgeven van de teksten en de teksten ook omgevormd ‘vanuit het gezichtspunt van een bepaald idee’. Daarmee komt een belangrijke premisse van historisch-kritisch onderzoek onder vuur te liggen: de overlevering van de teksten is zélf is creatief en geeft niet zo getrouw mogelijk de teksten van het voorgeslacht door aan volgende generaties.

Palache en de Amsterdamse School

In één oogopslag is duidelijk dat deze drie punten grote gelijkenis vertonen met de uitgangspunten van de Amsterdamse School. De focus ligt niet zozeer op de voorgeschiedenis van een tekst, maar op de tekst zelf. Nauwkeurige bestudering van deze teksten maakt vervolgens duidelijk dat de teksten met een bepaalde doelstelling zijn geschreven. Breukelman zou zeggen: ze zijn vormgegeven met het oog op de verkondiging.

Toch zou het programma van Palache pas onder het professoraat van M.A. Beek (1909-1987) echt uitwerking krijgen. Beek was de opvolger van Palaches opvolger, ds A.W. Groenman, die er niet voor terug had gedeinsd om op 5 januari 1942 de vrijgekomen leerstoel van Palache tot 1945 te bezetten.

Individualisme in het Nieuwe Liedboek en de Opwekkingsbundel

In het laatste nummer van In de Waagschaal heb ik iets geschreven over het ‘ik’ in het Nieuwe Liedboek en in de Opwekkingsbundel onder de titel ”Alles is zo mooi, dat ik zingen moet’. Individualiserende tendensen in het Nieuwe Liedboek en in de Opwekkingsbundel’, IdW 43/8 (16 augustus 2014), 256-260.

Een aangename verrassing dat ds G. van Meijeren, hoofd mobiliteitsbureau van de PKN, mijn bijdrage in samenspraak brengt met een interview over het ‘ik’ met professor Paul van Geest (VU) en professor Mechteld Jansen (de nieuwe rector van de PThU, mijn Grote Baas dus) in De Nieuwe Amsterdammer. En zo heb ik maar mooi even De Waarheidsvriend gehaald, een hele hervormd-gereformeerde eer.

 

Breukelman, Miskotte en het individu

Wat heeft dat alles met Breukelman te maken? Nou, de aandachtige lezer zal het opvallen dat ik in mijn kritiek op de Opwekkingsbundel en op het Nieuwe Liedboek gebruik maak van Breukelmans exegetische fundering voor Miskottes vondst van de denkvorm pars pro toto, waarover te lezen valt in Miskottes Als de goden zwijgen uit 1956 (p. 148, 290, 329, 368 en elders). Dat wil bijvoorbeeld zeggen: de éne Israëliet over wie we lezen, staat in sommige gevallen voor het gehele volk Gods, één wonderdaad van God staat voor al het wonderlijke dat God heeft gedaan en nog zal doen, het beloofde land Kanaän staat voor heel de aarde, enzovoort.

Zo is het (volgens mij) ook in het boek van de Psalmen. Als daar één stem tot God zingt, klinkt daarin heel de gemeenschap van gelovigen mee. Soms is die relatie tussen volk en individu heel expliciet, soms zit het ‘m eerder in subtiele zinswendingen.

Het bezwaar in een notendop

Mijn voornaamste bezwaar tegen enkele nieuwe liederen in het Nieuwe Liedboek en tegen enkele Opwekkingsliederen is het ontbreken van die verbinding tussen de individuele gelovige en de geloofsgemeenschap. Dan gaat het alléén nog over een God daarboven en een ik hier beneden. Een volk des Heeren, een medegelovige, of zelfs ook maar een naaste is in geen velden of wegen te bekennen als het Nieuwe Liedboek ons leert zingen in lied 224:

Elke dag vertelt over God de Heer,
alle nachten fluisteren tot zijn eer,
heel de hemel zegt dat Hij groot is en goed,
heel de aarde juicht over al wat Hij doet,
alles is zo mooi, dat ik zingen moet.

Ik ben bang dat daarmee een toon wordt aangeslagen die weliswaar eerst lekker op de tong en in het gehoor ligt, maar die uiteindelijk de kerkelijke gemeenschapszin, die toch al behoorlijk onder druk staat, eerder zal belemmeren dan bevorderen.

De secundaire literatuur in kaart gebracht

Overflowing-BookcasesDe afgelopen maanden heb ik weer veel nieuw materiaal kunnen verzamelen over de theologie van Frans Breukelman. In het literatuuroverzicht heb ik veel nieuwe titels opgenomen. Ook de lijst van primaire literatuur heb ik beschikbaar gesteld.

U zult begrijpen dat ik niet alle literatuur zomaar beschikbaar kan stellen, omdat er auteursrechten op rusten. Maar ik hoop dat het voor geïnteresseerden een handzaam overzicht biedt voor nadere verdieping.

Breukelman in de gereformeerde gezindte

theologia_reformataDe website www.digibron.nl kun je gerust beschouwen als de intellectuele schatkamer van het 20e-eeuwse conservatieve protestantisme in Nederland. Complete jaargangen van zo’n beetje alle reformatorische periodieken kunnen kosteloos geraadpleegd en doorzocht worden. Wij zijn uiteraard het meest geïnteresseerd in de stukken waarin de naam van Frans Breukelman valt, en om te zien hoe hij beoordeeld wordt.

Receptie van Breukelman in de jaren ’80 en ’90

Begin jaren ’80, na twaalf jaren wetenschappelijk medewerker te zijn geweest aan de theologische faculteit van de Universiteit van Amsterdam (UvA), waren de verschijning en de methodiek van Breukelman populair geworden in theologisch Nederland. Breukelman genoot zo’n grote bekendheid, dat anderen zich genoodzaakt zagen om zich openlijk tot hem te verhouden. In tijdschriften van allerlei verschillende christelijke signatuur verschenen interviews en boekbesprekingen, soms lovend, soms kritisch. Ook binnen de gereformeerde gezindte was het werk van Breukelman doorgedrongen, en ook in deze kring vond Breukelman mede- en tegenstanders. Aanvankelijk uitte men zich in de reformatorische tijdschriften overwegend kritisch, met name over onderwerpen die raken aan de pijlers van het reformatorisch gedachtegoed: de onfeilbaarheid van de Schrift, het belang van christelijke politiek, en de trinitarisch-geordende theologie en het gezag van de gereformeerde leertraditie. Later in de jaren ’90 is er meer ruimte voor waardering. Dat zal zeker te maken hebben met de grote theologische en kerkelijke verschuivingen die zich in die twee decennia voordeden, en waarvan ook de rechterflank van de protestantse kerk zich niet aan heeft kunnen onttrekken. Ook rechtzinnigheid is altijd aan verandering onderhavig, zelfs als het gaat over de manier waarop de Schrift gelezen wordt.

De ‘Amsterdamse School’

In 1982 plaatste de oudtestamenticus Berend Maarsingh (1916-1995) een uitgebreid artikel over de Amsterdamse School in Theologia Reformata, het wetenschappelijke tijdschrift van de Gereformeerde Bond. Hij zet in met de constatering dat er nogal wat verschillen zijn tussen de theologen die geschaard zouden kunnen worden onder de ‘Amsterdamse School’, namelijk Frans Breukelman zelf, die zijn studies aan het bundelen was in de cahiers Bijbelse Theologie (1980-2012), de contribuanten van de reeks Amsterdamse Cahiers voor Exegese en Bijbelse theologie (ACEBT, 1980-heden) en degenen die een bijdrage hebben geleverd aan de feestbundel ‘Verwekkingen’, aangeboden aan Frans Breukelman ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag op 1 december 1976, een bundel die goedkoop gedrukt werd in de huisdrukkerij van de UvA en waarvan mij alleen totaal versleten exemplaren bekend zijn. SAMSUNG Maarsingh beschouwt Breukelman als ‘geestelijk vader’ en ‘stuwende kracht’ van de Amsterdamse School. Soms wordt daarnaast ook de naam van M.A. Beek genoemd, de eigenzinnige professor Oude Testament aan de UvA. De verschillende exponenten van de Amsterdamse School hebben het gedachtegoed van beiden op heel verschillende manieren gestalte gegeven.

Waargebeurd?

Het belangrijkste kritiekpunt van Maarsingh betreft de rol die de historische kritiek speelt bij het bepalen van de betekenis van een tekst. Maarsinghs oordeel is op dit punt niet helemaal zuiver. Hij meent dat Breukelman, die het redactionele eindproduct als uitgangspunt neemt voor zijn exegetische arbeid, de inzichten van literaire kritiek, archeologie en vormkritiek veronachtzaamt. Daarvoor moet men op zijn hoede zijn, “anders raken we de band met de geschiedenis kwijt.” Precies daar ligt het gevoelige punt:

“De methode van tekstbehandeling die de leermeester [Breukelman] toepast, heeft een deel van zijn volgelingen er toe gebracht de tekst te beschouwen als een louter litteraire grootheid. Daarbij is het niet van belang wat er werkelijk gebeurd is, neen het verhaal op zichzelf is al de moeite waard, gebeurd of niet gebeurd.”

Hierbij worden de namen van K.A. Deurloo, K. Bouhuijs en K.A.D. Smelik genoemd. In andere artikelen moet ook iemand als Nico ter Linden, in onze tijd vooral bekend door zijn serie Het verhaal gaat, het ontgelden. In de reformatorische theologie speelt de heilsgeschiedenis als historische categorie een zeer belangrijke rol. Het bezwaar tegen Breukelman en de zijnen schuilt in de toegepaste literaire benadering die zó sterk het overwicht krijgt over de (traditionele) historische benadering, dat de historiciteit ófwel veronachtzaamd wordt, ófwel ontkend wordt. Men vermoedt dat die twee, veronachtzaming en ontkenning, in elkaars verlengde liggen. Zodra het Woord dreigt los te raken van de historie van de tekst, verdwijnt de geschiedenis uit het vizier – en daarmee ook de heilsgeschiedenis. Hierin staat Breukelman bloot aan dezelfde kritiek uit reformatorische hoek als Barth en Miskotte vóór hem. Het is Breukelman inderdaad niet primair te doen om de historiciteit, maar om de boodschap. Je zou kunnen zeggen: het verhaal is volgens hem zonder twijfel wáár – maar het hoeft niet waargebeurd te zijn. W. Verboom merkt hierover op: “Deze vervluchtiging van de historie ondermijnt mijns inziens het fundament van de daden van God.” (Theologia Reformata (1993), 294).

Linkse rakkers

De eerdergenoemde Maarsingh plaatst nog een andere leeswaarschuwing bij de werken van ‘Amsterdamse’ auteurs die het niet zo nauw nemen met de status van de Bijbel als Woord van God:

“Men moet er echter niet verwonderd van opkijken dat er leerlingen van hem zijn die wel zijn methode van tekstuitleg overnemen maar niet uitgaan van de Bijbel als Woord van God maar als een document dat men politiek of psychologisch of nog anders kan uitleggen. Er blijft dan weinig over van het christelijk geloof. Een enkeling komt daar dan ook openlijk voor uit.”

Staan we een ogenblik stil bij dat ‘politieke uitleggen’ van het Woord van God. Veel van Breukelmans leerlingen waren in politiek opzicht links-georiënteerd, of beter gezegd: publiekelijk en actief marxistisch. Maarsingh vermoedt dat de wortels daarvan liggen bij Karl Barths vroegere sympathieën voor het religieus socialisme in de periode dat hij predikant was in Safenwil (1911-1921), en bij Miskotte, die na de Tweede Wereldoorlog openlijk partij koos voor de Partij voor de Arbeid en niet voor een christelijke partij (de zogenaamde Doorbraak). Maar waar staat Breukelman zelf? Hoewel Breukelman zich nooit openlijk heeft uitgesproken over zijn precieze politieke voorkeuren, sprak hij zich soms wel degelijk uit tégen het kapitalisme en stond hij welwillend tegenover de strijd voor sociale gerechtigheid die door links gevoerd werd. In het volgende citaat uit een artikel in Viavia (mei 1982) spreekt Breukelman zich duidelijk en evenwichtig uit over zijn visie op het marxisme (p. 11f):

“Ik heb Marx niet gelezen. mag je rustig weten. Ik kom er niet aan toe, ik schaam | me diep, want je moet natuurlijk Marx gelezen hebben. Ik weet één ding, namelijk, dat dat hele kapitalisme niet deugt. Maar wat we dan aan volksdemokratie en socialisme in het oosten zien, nou ja, nou ja … Ik weet dat allemaal niet precies. Je hebt lieden die precies weten hoe het allemaal moet, maar daar hoor ik niet bij. Eén ding weet ik wel, dat waar vanuit de Schrift het evangelie wordt verkondigd, dat het in ieder geval nergens anders op betrekking moet hebben dan op deze wereld, deze werkelijkheid, dit leven, wat daar nu gaande is, en daar midden in en daar dwars doorheen.”

Dat is toch een stuk afgewogener dan Maarsingh ons wil doen geloven als hij beweert: “Blijkbaar heeft men wel oog voor rechtse dictaturen maar nauwelijks voor linkse. Hoewel beide even onmenselijk en even afschuwelijk zijn.” Binnen de gereformeerde gezindte vreest men dat Breukelman en de zijnen de Bijbel door een rode bril lezen – en bij veel van Breukelmans volgelingen is dat stellig het geval geweest – maar over Breukelman zelf moet je zeggen dat hij weliswaar bepaalde politieke implicaties vermoedde op basis van zijn exegese van het Oude Testament, maar er heel bewust voor heeft gekozen om zelf geen (politieke) partij te kiezen. Juist omdát het bijna onoverkomelijk is dat je dan tóch de omgekeerde hermeneutische weg gaat bewandelen, ván het leven náár de tekst, en je dus tóch, vanuit je ingenomen politieke standpunt, je eigen visies en voorkeuren gaat terugzoeken en -vinden in de Bijbel.

De Statenvertaling

Een grote overeenkomst tussen Breukelman en de gereformeerde gezindte is de centrale positie die de Statenvertaling inneemt in het onderricht en in de verkondiging. In de late jaren ’90, als ook in reformatorische kringen het gebruik van de Statenvertaling onder druk komt te staan, ziet men in Breukelman een medestander in de strijd vóór de Statenvertaling. Ik citeer uit een artikel van H.J. de Bie uit De Waarheidsvriend van 19 maart 1998:

“Daarmee worden we nog geen aanhangers van de Amsterdamse school waarvan Breukelman een prominent vertegenwoordiger was. Maar we worden wél nog eens heel nadrukkelijk herinnerd aan de opdracht die de Statenvertalers voor ogen hadden, namelijk om de Bijbel, dat is de ganse Heilige Schrift uit de oorspronkelijke talen in onze Nederlandse taal getrouwelijk over te zetten.”

We horen hier een heel ander geluid dat de scherpe toon waarop Maarsingh over Breukelman schreef, begin jaren ’80. Maarsingh uitte toen hartstochtelijk zijn bezwaren bij Breukelmans kritiekloze navolging van Buber en Rosenzweig, die zijns inziens veel te willekeurig omgaan met de lengte van ademeenheden, en ook de doeltaal teveel naar hun hand zetten. Bij deze kritiek moeten we de kanttekening plaatsen dat die Breukelman eigenlijk nauwelijks treft, omdat Breukelman zelf nauwelijks vertalingen heeft geproduceerd, en zich doorgaans voegde naar de Verdeutschung van Buber/Rosenzweig of de Statenvertaling. Dat er met een vertaling ook (ingrijpende) theologische beslissingen vallen, is een opvatting die de gereformeerde gezindte deelt met de Amsterdamse School. Daarvan getuigt de afwijzing van nieuwere vertalingen, eerst die van het Nederlands Bijbelgenootschap in 1951, en later de Nieuwe Bijbelvertaling in 2004, beide op theologische gronden.

Persoon en werk van Jezus Christus

In een recensie van het eerste deel Bijbelse Theologie (1980) merkt H.J. de Bie op, dat de persoon en het werk van Jezus Christus bij Breukelman op de achtergrond zijn geraakt, terwijl ze bij Karl Barth juist voortdurend naar de voorgrond gehaald worden. Deze kritiek is bepaald niet grondeloos, zeker als je Breukelmans oudtestamentische exegeses beziet. Dat Breukelman niet alle exegetische arbeid direct relateert aan de persoon en het werk van Jezus Christus, valt te verklaren vanuit de theologie van Miskotte, die aan het Oude Testament een ‘tegoed’ toekent ten opzichte van het Nieuwe Testament (Als de goden zwijgen, 145-229) en het Oude Testament eigenstandig wil laten spreken over de daden van God die ervan getuigen dat het Gods diepste wil is om zijn mensen te bevrijden – iets waarvan ook het Nieuwe Testament getuigt, alleen dan op een andere manier. In een latere recensie van Gesprekken met Frans Breukelman constateert De Bie dan ook, dat Breukelman de Schriften toch wel degelijk wil lezen ‘van het midden uit’, dus vanuit Christus, of vanuit wat Miskotte aanduidt met ‘de Naam’. Een jaar of 13 later spreekt W. Verboom In een in memoriam in Theologia Reformata (1993) juist vol lof over Breukelmans omgang met de Schrift en de centrale plaats die daarbij wordt toegekend aan Jezus:

“Wat mij in Breukelman aantrok was zijn hoge achting voor het Woord. Tegen de achtergrond van de ‘min’-achting van het Woord in de historisch-kritische Bijbelopvatting betekent Breukelmans Schriftomgang een verademing. De centrale plaats die Jezus de Christus daarbij inneemt in heel de Schrift (O.T. en N.T.) maakt mijn waardering van hem nog groter.”

Blijkbaar is één en ander gedurende die 13 jaren toch in een ander reformatorisch daglicht komen te staan.

Conclusie

Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? In grote lijnen is de receptie van Breukelman binnen de gereformeerde gezindte in een tijdsbestek van ruim 20 jaar veranderd van aanvankelijke aarzeling en kritiek naar uiteindelijke nieuwsgierigheid en welwillendheid. De algemene receptie van Breukelman binnen de gereformeerde gezindte kan goed gekarakteriseerd worden met de woorden van ene A.N. in Theologia Reformata (1996):

“We kunnen concluderen dat de aandacht en zorgvuldigheid waarmee Breukelman de Bijbelteksten tegemoet trad, in reformatorische kringen weerklank vond. Het grootste punt van kritiek is het losmaken van Woord en geschiedenis, waardoor de boodschap van het evangelie los zou kunnen komen te staan van de daden Gods in de geschiedenis.”

Daarmee is duidelijk geworden wat het voornaamste reformatorische kritiekpunt is op de theologie van Breukelman: een exclusief literaire benadering kan ten koste gaan van een verantwoorde historische benadering en ook dát heeft verstrekkende theologische implicaties, net zoals omgekeerd een exclusief historische benadering ten koste kan gaan van een verantwoorde literaire benadering. Hoewel het nooit Breukelmans bedoeling is geweest, hebben toch veel aanhangers van de Amsterdamse School zich meer en meer losgemaakt van de resultaten van historisch onderzoek en zijn ze de Bijbel gaan bestuderen als een literair product, lós van de geschiedenis.

Behalve in reformatorische kringen wordt hierop ook veel kritiek geuit door academici van andere signatuur. Zelfs vanuit het gedachtegoed van Breukelman zelf zou men zich kunnen afvragen: als het waar is dat ‘het evangelie nergens anders betrekking op moet hebben dan op deze wereld, deze werkelijkheid, dit leven, wat daar nu gaande is, en daar midden in en daar dwars doorheen’ – zou dat niet evenzeer gegolden hebben voor de mensen over wie we in de Bijbel lezen? Of zou het zich beperken tot de de auteurs/redacteurs en lezers van de Bijbel?

Ten slotte

We sluiten dit mini-onderzoekje af met de volgende woorden van W. Verboom (Theologia Reformata 1993), die mijns inziens, ook al zijn ze alweer meer dan 20 jaren oud, aan actualiteit niet hebben ingeboet:

“Moge de erfenis van Breukelman zijn: een diep, door de Geest gewerkte eerbied voor de Schrift als proclamatie van Gods grote daden in Jezus Christus, resonerend in de geschiedenis. Dan kunnen we verder op de kansel. Ook in onze tijd.”


Literatuur
  1. B. Maarsingh, ‘De Amsterdamse School’, Theologia Reformata (1982), 101-113
  2. H.J. de Bie, ‘Drs. F.H. Breukelman, Bijbelse Theologie, Deel I, 1, Schrift-lezing (…)’,Theologia Reformata (1982), 228-229
  3. Anon., ‘Drs. F.H. Breukelman geëerd met opstellen’, Reformatorisch Dagblad (22 december 1986), 2
  4. A.v.Br., ‘Gesprekken met Frans Breukelman’, Theologia Reformata (1990), 189-190
  5. H.J. de Bie, ‘Gesprekken met Frans Breukelman, onder redactie van Ype Bekker (…)’, De Waarheidsvriend (22 februari 1990), 10-11
  6. K. van der Zwaag, ‘Breukelman was aanhanger van Barth èn verdediger van de Statenvertaling: Inspirator Amsterdamse School zocht oerboodschap van de Schrift’, Reformatorisch Dagblad (1 juli 1993), 2
  7. W. Verboom, ‘Reflexen: de Amsterdamse School’, Theologia Reformata (1993), 292-294
  8. C.A. Tukker, ‘In memoriam F.H. Breukelman’, De Waarheidsvriend (15 juli 1993), 4
  9. Anon., ‘Volgelingen Breukelman wijzen op theologische aardverschuiving’, Reformatorisch Dagblad (2 december 1993), 2
  10. A.N., ‘Frans Breukelman, Bijbelse Theologie, deel III,2 De Koning als Richter (…)’,Theologia Reformata (1996), 338-339
  11. H.J. de Bie, ‘De betekenis van Frans Breukelman voor het vertalen van de Bijbel’De Waarheidsvriend (19 maart 1998), 12-13
  12. J. Filius, ‘Ingezonden’, De Waarheidsvriend (2 april 1998), 8
  13. W. van ‘t Spijker, ‘Frans Breukelman, Bijbelse theologie deel IV/1 (…)’Theologia Reformata (2003), 265-266
  14. H.J. de Bie, ‘Calvijn in Amsterdam. Over de structuur in de heilige leer’De Waarheidsvriend (8 juli 2004), 8-10
  15. B. Tramper, ‘Kleurpotloodjes naast de Bijbel’ (interview met K.A. Deurloo), Reformatorisch Dagblad (18 april 2008), 17
  16. K. van der Zwaag, ‘Laatste deel nalatenschap Frans Breukelman gereed’, Reformatorisch Dagblad (vrijdag 1 juni 2012)