Wie is mijn naaste?

W

Wie is mijn naaste?

Preek naar aanleiding van Lucas 10:25-37 

Broeders en zusters in onze Heer Jezus Christus, 

We bespreken vanavond de vraag die de wetgeleerde, de Tora-kenner, stelde en het antwoord dat Jezus op zijn vraag gaf. De vraag luidde: ‘Wie is mijn naaste?’ En het antwoord daarop is die geschiedenis van de barmhartige Samaritaan, zoals Jezus die vertelt. 

Maar willen we het antwoord van Jezus kunnen verstaan dan moeten we eerst nader ingaan op die vraag: ‘Wie is mijn naaste?’ En wat die wetgeleerde met die vraag kan hebben bedoeld. En dan moeten we eerst letten op dat woord ‘naaste’ dat we in die vraag van de wetgeleerde horen klinken. U moet namelijk weten dat het woord ‘naaste’ een uiterst karakteristiek woord is uit de taal van het Oude Testament. U zou misschien denken: naastenliefde, dat is toch iets christelijks, je naaste lief hebben, dat is natuurlijk devies voor het Nieuwe Testament… Dat is het ook wel, dat zullen we straks wel merken. Maar dat woord ‘naaste’ dat is toch eigenlijk niet een woord uit de taal van het |10| Nieuwe Testament , maar dat is nu net een woord uit de taal van het Oude Testament! Want daar in het Oude Testament, daar horen we telkens opnieuw over de naaste; het komt er wel ongeveer 200 maal voor. En nu wil ik u eerst even iets zeggen over wat dit woord ‘naaste’ in de taal van het Oude Testament te betekenen heeft en hoe dit woord in de teksten van het Oude Testament voorkomt. 

De ‘naaste’ in het Oude Testament 

Ach ja, u weet dat allemaal wel, de tien geboden, u kent ze wel: ‘Ge zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. Daar hoor je het al klinken. En dan ook in het tiende gebod: ‘Ge zult niet begeren uws naasten huis, ge zult niet begeren uws naasten vrouw’. Dan hoor je het twee keer achter elkaar. En dan nog een derde keer: ‘noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is. Aan het slot van de tien geboden hoor je dit karakteristieke woord zomaar vier keer achter elkaar klinken.

De eerste keer dat het in het Oude Testament voorkomt, is in de geschiedenis van de torenbouw van Babel in Genesis 11. Althans in de Statenvertaling hoort u het daar klinken. Wanneer ze elkaar aansporen, dan zeggen ze – zo staat het in de tekst van de Statenvertaling – : ‘een ieder tot zijn naaste: kom aan, laat ons tichelen strijken, kom aan laat ons een stad bouwen’. En dan keert dat woord ‘naaste’ nog een keer terug aan het slot, wanneer, en dat is de tegenbeweging, God spreekt: ‘Kom aan, laat ons nedervaren, en laat ons hunne spraak aldaar verwarren, opdat een iegelijk de spraak zijns naasten niet hoore’. Zo hoort u dit woord daar voor het eerst in het Oude Testament twee keer klinken. In de Nieuwe Vertaling hebben ze meer gewoon vertaald. Want dat zeggen wij zo niet, dat is onze manier van spreken niet. Wij zeggen niet: ‘Zij zeiden een ieder tot zijn naaste…’. Wij zeggen gewoon: ‘Zij zeiden tot elkaar…’. En zo heeft – misschien ook wel juist, daar gaat het nou niet om – de Nieuwe Vertaling dus: ‘Ze zeiden tot elkaar…’. De Statenvertaling heeft hier hebraïserend vertaald. Ze heeft die eigenaardige taal van het Oude Testament ook in het Nederlands laten doorklinken: ‘Ze zeiden een ieder tot zijn naaste…’,iesj el re-èhoe. Ja, nu heb ik u het Hebreeuwse woord al |11| laten horen, en dat zal ik nog wel een paar keer doen, want het is namelijk een heel karakteristiek woord, en dat we moeten proberen te verstaan vanavond. Het Hebreeuwse woord is rea. En wat dat woord betekent, dat moeten we nu nagaan. Nu heb ik al enkele teksten genoemd uit het Oude Testament, en zo kan ik er nog wel tientallen noemen. Enkele nog.

In het boek Exodus zegt Mozes, als er twee Hebreeuwse mannen met elkaar aan het vechten zijn, tot die onrecht had: ‘Waarom slaat ge uw naaste?’ Of even verderop in het boek, in hoofdstuk 18, als Mozes en Jethro, zijn schoonvader, met elkaar in gesprek zijn over de lasten die Mozes dragen moet, dan zegt Mozes tot Jethro: ‘Wanneer ze een zaak hebben dan komt dat tot mij, opdat ik richte tussen de man en de naaste.’ Daar hoor je het weer klinken: ‘de man en zijn naaste’. Precies datzelfde van Genesis 11: ‘Ze zeiden een ieder tot zijn naaste…’ Martin Buber heeft daar vertaald: ‘Sie sprachen ein Mann zum Genosse’, een man tot zijn naaste, de man en zijn naaste… En zo dus ook hier: ‘Ze komen tot mij, elke zaak, opdat ik richte tussen de man en zijn naaste.’ Of bijvoorbeeld in Psalm 12, om nog een tekst te noemen, daar horen we: ‘Ze spreken valsheid, een ieder met zijn naaste.’ En ook daar heeft de Nieuwe Vertaling deze hebraïserende manier van spreken vervangen door gewoon Nederlands, door te vertalen: ‘Ze zeiden tegen elkaar…’ Dus niet: ‘Ze spraken valsheid, een ieder met zijn naaste.’ Maar zo staat het wel in het Hebreeuws. 

Ja, u weet het, dat woord ‘naaste’ is toch echt bijbeltaal. We kennen dat woord allemaal, maar wij kennen dat woord niet anders dan als een bijbelwoord, dat is bijbeltaal, dat is geen gewone omgangstaal. Ik denk dat geen van u vandaag elkaar zo aanspreekt. Of als iemand het gebruikt heeft, dan heeft hij het gebruikt als een bijbelse uitdrukking, zoals er wel meer in onze taal zijn. Maar ook vanuit de bijbel is dit woord ‘naaste’ toch een bijzonder woord gebleven en het is nooit tot algemene omgangstaal geworden. En dan is het een woord, in het bijzonder, uit het Oude Testament. 

Wat betekent nu dit woord? Laat ik u daar een omschrijving van geven. Het is de aanduiding voor die medemens met wie ik te maken heb. Met wie ik in een bepaalde situatie samen ben. Aan wie ik niet voorbij kan. Die mij aanspreekt. Die mij nodig heeft. Of ik heb hèm nodig. Ik ben niet zonder jou. Wij zijn op elkaar áángewezen. Dat is heel mooi in het Nederlands: op elkaar aangewezen zijn. Ik: ben in de ontmoeting met jou. Ik ben samen met jou onderweg. Ik doe samen |12| met jou een karwei. Ik maak samen met jou een reis. Ik zit samen met jou in de tram. Maar op een of andere manier ben ik daar weer en weer met jou. En dat is niet iets bijkomstigs. Mijn eigenlijke mens-zijn, dat is niet eenzaam-zijn. Zoals vroeger wel in de protestantse dogmatiek de mens werd omschreven als een met rede begiftigd dier. Men gaf een definitie, men ging uit van het algemene en dan zocht men naar het bijzondere: wat dit wezen nu tot mens maakte. Het algemene, dat was: hij is een dier, een levend wezen, ademend, zoals er zovele zijn. Maar wat onderscheidt nu dit levende wezen van al het overige? Wel, hij heeft, hij is met rede begaafd, een redelijk dier. Ja, wat merkwaardig, vindt u niet!? Zo kunt u het lezen in alle oude dogmatieken. Maar dat is natuurlijk, – ach natuurlijk dat is wel waar, hij is trouwens – wàs die nu maar een echt redelijk dier – maar hij is toch ook in vele opzichten een zeer ònredelijk dier… ! Maar goed, helemaal onjuist is het niet. Maar u begrijpt, dat is toch niet de goede omschrijving, de goede aanduiding voor wat nu typerend is voor dat wezen, de mens. De mens is dat wezen dat door God ertoe bestemd is partner te zijn in een geschiedenis. Juist! Zo moeten we het zeggen! We zijn betrokken in een geschiedenis van ontmoeting, van: ‘ik daar nu met jou, omdat God wil zijn met ons!’ Er is een beslissing gevallen, eeuwig: dat God niet meer God wil zijn zonder ons! Hij heeft Zich gemaakt, eens en voorgoed, tot de partner van Zijn mens: ‘Ik ben de Here, uw God… ‘ Zo, en niet anders, existeert Hij nu. Hij existeert niet anders meer dan in die relatie tot Zijn mens, als de Here uw God. En Hij heeft Zijn NAAM onlosmakelijk verbonden met het heil en met de toekomst van Zijn mens. En zo, ja dat wordt een heel drama, dat wordt een hele geschiedenis, en dat is vol belofte, en daar komt Hij niet meer op terug. Dat is Zijn eeuwig besluit, dat is voorgoed gevallen, en dat kan alleen nog maar worden gerealiseerd. En daar zijn wij allen nu in betrokken. En omdat God zo wil zijn, niet anders meer wil zijn dan met ons, God met ons, Immanuel, daarom ben ik met jou! Daarom ben ik niet zonder jou! Kan ik niet existeren… Dat is constitutief voor mijn mens-zijn, dat ik existeer in de ontmoeting en in het gesprek met jou. Ik kom jou tegen. Ik kan niet aan jou voorbij. Ik heb met jou te maken. Ik heb jou nodig. Ik ben op jou aangewezen. Ik ben met jou samen betrokken in een kleine geschiedenis. Kijk, voor die figuur, voor die complete medemens, voor die ander, met wie ik op een gegeven moment samen ben en met wie ik te maken heb, voor die figuur beeft het bijbels Hebreeuws een apart woord. Die figuur, die concrete medemens, die mij aangaat, met wie ik te maken heb, die |13| heet in de taal van de Tenach: uw rea. Ik noem opzettelijk even het Hebreeuwse woord, want dat woord rea, dat betekent eigenlijk niet ‘de naaste’. Waar dat woord ‘naaste’ dan vandaan komt, dat zal ik u zeggen. Maar wat dit woord in de taal van de Tenach te betekenen heeft, en hoe dat woord in de teksten van het Oude Testament voorkomt, dat hebben we nu wel begrepen, we hebben die teksten gehoord. En we hebben ook begrepen dat het een heel belangrijke figuur is, geen bijkomstige figuur: ik ben eenvoudig niet zonder hem, zonder jou. Niet eenzaam is de mens, tweezaam is hij!

Dat woord rea, dat komt van een Hebreeuwse woordstam die betekent: je inlaten met, te doen hebben met, te maken krijgen met, omgaan met, een metgezel zijn van. En zo, reais dus, ja, laten we dat woord nu maar eens even noemen: ‘metgezel’. Medemens, metgezel, de ander met wie ik samen ben. En hij is met mij, ik ben met jou en jij bent met mij. En we zijn elkaar niet onverschillig, jij laat mij niet koud. Jij raakt mij aan, wij hebben elkaar nodig, wij zullen elkaar bijstand bieden en dat zullen we van harte doen, dat zullen we spontaan doen, dàn leven we op. U kent het allemaal wel, dat aardige, dat je, ach ja, we hebben het allemaal een beetje moeilijk, de een hiermee, de ander daarmee, je bent wat gedrukt, het zit je niet lekker, het zit je dwars, je ziet het niet, hoe moet het nou, wat gebogen ga je, je gezicht is betrokken, zo, een tikje gespannen loop je… en dan plòtseling…, daar komt hij, de ander, jou tegemoet! En dan moet je zien wat er gebeurt! Plotseling hef je je gezicht op en dan komt er zomaar een lach op, HAAA, je lacht, je begroet hem. Het heeft iets bevrijdends. Ja, ik weet het wel, huidige existentialisten die zeggen precies het omgekeerde, die zeggen: die ander, dat is jouw rivaal, dat is jouw mededinger, dat is jouw potentiële vijand. Als je hem tegenkomt, dan gaat het gebeuren: ik ben jou de baas of jij mij. Een klein gevecht. En nu eens kijken wie er het eerste capituleert. Het is altijd, voortdurend, in alle relaties een gevecht van man tegen man: win ik het van jou of win jij het van mij? Het is altijd een rivaal.

Maar het is niet waar! Het is een leugen! Ik leef op als mens als ik jou tegenkom, jou weer zie. Dan hef ik mijn hand op, dan ben ik een en al vreugde en ontspanning. De beklemming is weg, ik ben daar plotseling weer in de ontmoeting met jou. Echte humaniteit leeft in dit zijn-in-de-ontmoeting, van aangezicht tot aangezicht, dat ik je zie! En dat ik jou onder ogen kom, en dat we tot elkaar spreken. Dat jij mij hoort en dat ik jou hoor. En dan, dat we het bij woorden niet laten, maar dat ik mijn hand ook uitstrek en jou bijstand bied. U begrijpt, zo, daarin |14| leeft de humaniteit, dat pas is echt humaan. Dat moet ik doen, dat is mijn hele wezen, dat is mijn menselijke natuur, dat kan ik eenvoudigweg niet laten, zo heeft God mij gemaakt. Krachtens de schepping ben ik zo. Ik existeer niet anders. Dat is een geloofsgeheim. Maar of we het nu weten of niet, het is bij een ieder van ons zo. Echte humaniteit is daar waar ik existeer in de ontmoeting met jou. En nou kunt u wel begrijpen dat het niet toevallig is, dat het Oude Testament, de taal van het Oude Testament, voor die concrete figuur, een apart woord heeft.

De vertaling van het Hebreeuwse rea

Maar in andere talen is dat niet het geval; ook toch eigenlijk niet in onze taal. We hebben wel allerlei woorden: kameraad, metgezel, vriend, vriendje. Maar dàt woord, dat ontbreekt. En zo was het ook met de rabbijnen in Alexandrië, toen de Hebreeuwse bijbel voor het eerst in een van de talen van de gojim, van de volken, moest worden overgezet. Toen hadden ze ook eigenlijk in het Grieks voor dit karakteristieke Hebreeuwse begrip geen apart woord. Toen zijn ze het Griekse woord ho plèsiongaan gebruiken: hij daar vlak bij je. Dat is natuurlijk niet zo gek om het op die manier weer te geven want het drukt wel degelijk een aspect uit van de rea. Inderdaad, dat is hij stellig ook: hij is die ander daar vlakbij je. En het Grieks, de Septuaginta, heeft het dus met die uitdrukking ‘hij daar vlakbij je’ weergegeven. Trouwens, zo vindt u het ook in de Engelse bijbels. In de Engelse bijbels wordt dit karakteristieke begrip namelijk weergegeven metyour neighbour: je na-buur, hij daar vlak naast je en bij je… En toen dan de Griekse kerkbijbels op een gegeven moment in het Latijn moesten worden overgezet (zo aan het einde van de tweede eeuw, waarschijnlijk in Noord-Afrika, Carthago, Tertullianus), dan wordt er wéér iets met dat begrip gedaan. Die Latijnse bijbel is dus niet in het begin direct uit het Hebreeuws vertaald, maar uit het Grieks. En toen hebben ze het met een superlatief weergegeven, met een overtreffende trap. In het Latijn: proximus. Dat wil zeggen, niet slechts ‘hij daar vlak bij je’, maar: ‘de meest nabije, de naaste’. Kijk, en nou begrijpt u dus waar dat woord naaste uit onze kerkbijbels vandaan komt. Dat begrip naaste, die daar het naast bij is, in die overtreffende trap, dat is eigenlijk een weergave, letterlijk, niet van het Hebreeuwse begrip rea–  want daar zit, in het woord reahelemaal niet de notie van lokale nabijheid, daar heeft het Hebreeuws namelijk ook wel een woord voor: |15| karoof, de naaste bloedverwant, de meest nabije. Maar in dat woord reazit helemaal niet die notie van lokale nabijheid, maar dat is dus die Septuaginta geweest. Dan komt de Latijnse bijbel nota bene met proximus, de naaste. U begrijpt dus nu waar het woord ‘naaste’ uit onze bijbels vandaan komt. Dat is dus niet een weergave van het He- breeuwse rea, en eigenlijk ook niet van bet Griekse ho plèsion,your neighbour, maar het is een vertaling, zeg maar, van het Latijnse proximusuit de Latijnse bijbel. Ja, en als u nou de vertaling van Martin Buber opslaat, dan zult u zien dat hij dit woord ‘naaste’, Nächster, niet meer gebruikt. Hij heeft een ander woord gekozen. Hij kiest voor het woord Genosse. Dat heeft natuurlijk een beetje een onaangename klank als je denkt aan volksgenoot, maar Genossezoals in reisgenoot, clubgenoot, studiegenoot. Dat wil zeggen: met wie je dat samen doet en waar jij samen met hem in betrokken bent. Kijk, in dit bijbelse begrip reais niet dit ruimtelijke, lokale, dit ‘vlakbij zijn’ het primaire, maar het Geschichtliche. Er is iets gaande, waar jij en hij, waar jullie samen in betrokken bent! Jij daar, in die situatie en in wat daar gaande is, jij daar: niet zonder hem. Zelfs zo hebben we het gehoord in het verhaal van de torenbouw van Babel, zelfs wanneer we met duizenden zijn, dan nog, – en nu begrijpt u wel dat Buber toch ook daar met de Statenvertaling dit karakteristieke begrip in de weergave van de tekst vasthoudt –, zelfs ook daar ben jij daar met hem, met jouw rea. ‘Zij zeiden een ieder tot zijn naaste…’ Zelfs nu wij hier in de kerk zijn en ik hier tot u moet spreken kijk ik u, ja u daar, aan. Maar dat wil niet zeggen dat ik de anderen niet zie, dat die anderen plotseling zouden wegvallen. Maar in u spreek ik tegelijk ook alle anderen aan. Ik kan maar één mens tegelijk in de ogen zien. En dat is dan op dat moment mijn rea. ‘Zij zeiden een ieder tot zijn naaste’ – en dat kan dan een geschiedenis zijn van enkele minuten, het kan ook een geschiedenis zijn van enkele jaren – dat betekent dat ik daar niet ben zonder jou. En voor die concrete figuur heeft de bijbel dus, het Oude Testament, dat woord dat Buber dan met Genosseweergeeft. Of om het nog even afte ronden: hij is dus niet uw buurman, your neighbour, want daar heeft bet Hebreeuws het woord jasjageenvoor. Hij is ook niet de naaste in de zin van bloedverwant, want daar heeft het Hebreeuws het woord karoof voor. Nog iets: hij is ook niet uw vriend, de Statenvertaling heeft het veertig maal met ‘vriend’ vertaald, maar dat is hij ook niet, want daar heeft het Hebreeuws óók andere woorden voor. Hij is ook niet uw volksgenoot, want ook daar heeft het Hebreeuws weer een ander woord voor. En hij is ook niet zomaar willekeurig elk |16| ander. Ja, dat moeten we er ook nadrukkelijk bij zeggen: hij is ook niet zomaar willekeurig èlk ander mens. Hij is die heel bepaalde andere, daar vlak bij je, met wie je te maken hebt. En voor willekeurig elk ander mens, daar heeft het Hebreeuws ook een apart woord voor, dat is acheer, en dat betekent: die daarachter, hij daar verder weg, hij daarachter, maar die gaat mij niet aan. Maar jij gaat mij aan, met jóu heb ik te maken, en die ander, daar achter jou, daar heb ik nu niets mee te maken. U begrijpt: voor die daar, vlakbij je, met wie je te maken hebt, voor die concrete andere, voor die medemens, dat betekent in de taal van het Oude Testament rea.

De ‘naaste’ in het Nieuwe Testament 

En zoals we al gezegd hebben: dat woord ‘naaste’ is toch eigenlijk in onze taal een bijbelwoord gebleven en niet tot algemene omgangstaal geworden. Het is eigenlijk een woord uit de Latijnse bijbel: proximus. Wij, in onze taal, hebben eigenlijk voor deze figuur geen apart woord. En het is nu deze naaste die we ook in het Nieuwe Testament aantreffen. Maar niet zo heel dikwijls. Het woord dat je in het Nieuwe Testament voortdurend aantreft, dat is het woord ‘broeder’: ‘Ik en mijn broeder. ‘ En bijvoorbeeld: ‘… voor zover gij dit een van deze mijn geringste broeders gedaan hebt…’ Kortom, het gaat voortdurend om de broeder, niet om die naaste. Die naaste komt in het Nieuwe Testament vrijwel uitsluitend voor in verband met het gebod uit Leviticus 19: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.’ In heel het evangelie naar Lucas, waar we dus een klein gedeelte uit gelezen hebben, in heel dat evangelie komt dat woord ‘naaste’ nergens anders voor dan uitsluitend op die ene plaats, namelijk in dat stuk dat wij lazen over die vraag ‘wie is mijn naaste’ en het antwoord dat Jezus dan geeft. Dus u begrijpt: vanuit het Oude Testament wordt hier de enige keer die kwestie van ‘wie is hij, mijn naaste’ ter sprake gebracht. En zo is het ook bij Marcus, en eigenlijk ook bij Matteüs. En bij Johannes komt die naaste helemaal niet voor. En bij Paulus maar een keer of twee, drie. Dus u begrijpt wel: het is niet zo dat die naaste nou de centrale figuur in heel het Nieuwe Testament is, maar hij komt daar wel op een heel belangrijke manier toch voor, namelijk telkens opnieuw in ver- band met dat gebod uit Leviticus 19: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.’ En zo komt die dan ook voor in het evangelie naar Lucas in de tekst die wij lazen. |17|

Kijk, nu moet het ons toch wel wat verbazen dat die Tora-kenner, die dus de Hebreeuwse bijbel in zijn gehoor beeft, al die teksten in het Hebreeuws kent, dat nou nota bene deze Tora-kenner aan Jezus de vraag stelt: ‘Wie is mijn naaste?’ Nou, dat had hij nu toch wel kunnen weten. Iemand die de Hebreeuwse bijbel kent, die hoeft toch niet te vragen: ‘Wie is mijn naaste?’ Dat hoor je door het hele Oude Testament heen, zoals ik ook geprobeerd heb het u enigszins te laten horen. Als je het Oude Testament kent, zoals deze Tora-kenner, moet die man nu aan Jezus vragen: ‘Wie is mijn naaste?’ Ja, hij vraagt eigenlijk ook hier weer naar de bekende weg, zoals hij bet ook aan het begin van bet gesprek deed: ‘Meester, wat doende zodat ik het eeuwige leven beërf?’ ‘Nou,’ zegt Jezus, ‘wat staat er geschreven, hoe leest ge?’ En prompt komt het juiste antwoord en zegt Jezus: ‘Nou, doe dat, en gij zult leven.’ Wat vraag jij mij? Je weet het zelf maar al te goed. Hij vraagt naar de bekende weg. ‘maar hij wilde zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus : En wie is mijn naaste?’ Eigenlijk ook met die tweede vraag – zou je zeggen – vraagt hij naar de bekende weg: dat moet hij toch zelf wel weten. Ja, maar voor hem is het toch een probleem, want het gaat er om: zou die nou bijvoorbeeld mijn naaste kunnen zijn, of zou die ander mijn naaste kunnen zijn? Of bijvoorbeeld: Die Samaritaan is er toch niet één van ons? Is hij ook mijn naaste? Om van een heiden en een tollenaar maar niet te spreken! Kan zomaar plotseling elk ander mens mijn naaste worden? Is dat onbegrensd? Kijk, zo denkt die Tora-kenner. En wat moet hij dan? Moet hij hem liefhebben? Hem bijstaan? Er voor hem zijn? ‘Wie is toch mijn naaste?’ zo vraagt hij. Hij wil dat waarschijnlijk wat verengen, wat begrenzen. Hij wil daarover beslissen. Maar u begrijpt wel, en daar gaat het nu om in het antwoord van Jezus: wij hebben er helemaal niet over te beslissen wie mijn naaste zal zijn in het concrete ogenblik! Ik kies hem niet uit. Het gaat er niet om dat ik jou zo sympathiek vind of dat ik zo gelijkgezind ben met jou en dat ik me zo bij jou op mijn gemak voel, begrijpt u wel? Ik heb jou niet gekozen, dat is veel te veel van mijzelf uit gedacht. Ik ben op jou aangewezen. Ik kom jou eenvoudigweg tegen. Ik kan niet aan jou voorbij. Ik moet er zijn in de ontmoeting en ik moet het dapper doen. Ik heb hier niet te beslissen. De beslissing is allang gevallen, namelijk hierover: dat ik daar nu ben. Of ik jou sympathiek vind of niet, dat is eigenlijk helemaal niet van zo’n groot gewicht. Dat doet eigenlijk niet ter zake. Dat ‘elkaar aardig vinden’, natuurlijk, dat speelt ook een rol in het leven. Dat je gelijk gezind bent, dat je plotseling elkaar ook verstaat, dat kan ver|18|warmend, hartverwarmend, dat kan troostend zijn. Het is ook niet verboden dat je geestverwant bent, dat is natuurlijk helemaal niet verboden. Zoiets als geestverwantschap en gelijkgezindheid is zelfs zeer wenselijk. Maar niet omdat wij zulke geestverwanten zijn en zo gelijkgezind en elkaar zo aardig vinden… Niet ik kies jou, maar daar is allang over beslist, dat ik jou tegenkom zonder wie ik niet waarachtig mens kan zijn. De Tora-kenner denkt ook van zichzelf uit, wanneer hij vraagt: wàt moet ik hem dan doen?

Kijk, dat alles wat ik zoëven heb gezegd over die rea, dat hoefde Jezus die Tora-kenner niet te zeggen, want dat weet hij zelf natuurlijk allemaal ook wel. Maar één ding ontbrak aan zijn kennis, namelijk: dat niet ik erover heb te beslissen wie mijn naaste is die ik moet lief- hebben. En daarom vertelt Jezus nu de geschiedenis van de barmhartige Samaritaan, waarin we volledig bevestigd krijgen al hetgeen we op grond van het Oude Testament over de reahebben gezegd: hij is daar vlakbij je, je kunt niet aan hem voorbij, je hebt met hem te maken, je zult je met hem inlaten, je zult met hem solidair zijn. Dat alles, dat keert in die geschiedenis terug, maar in een heel bepaalde toespitsing. En laten we nu horen hoe Jezus het vertelt. Het aardige is – laten we dat direct al zeggen – dat Jezus diè wetgeleerde daar aan de kant van de weg neerlegt als een hulpeloze, in de handen van de rovers geworpen, uitgeschakeld. Hij kan zichzelf niet meer oprichten, hij kan niet meer zelf verder, hij kan zichzelf niet meer helpen. Er moel hulp komen van elders, er moet iemand anders op hem toekomen om hem op te richten. Kijk, dat is een heel andere situatie. Dat is niet: ‘Wie is mijn naaste?’ Dat is eenvoudig de roep om die ander, die aan mij niet voorbij zal gaan en die mij niet zal laten liggen en die mij niet aan mijn lot zal overlaten. Kijk dan, als het zo is, dan wordt die vraag ‘Wie is mijn naaste?’ heel anders beantwoord. In die richting buigt Jezus heel die vraag om, om nu, van die kant de vraag ‘Wie is mijn naaste?’ te beantwoorden.

De gelijkenis

Een zeker mens reisde van Jeruzalem naar Jericho, viel in de handen van de rovers die hem uitgetogen hebben, en zwaar geslagen, en half dood aan de kant van de weg lieten liggen. Dat is de situatie. Verschrikkelijk dat zulke dingen gebeuren. Maar daar gaat het nu niet over: dat verschrikkelijke, dat dat allemaal maar gebeurt in deze we|19|reld. Er is iets wat nog veel verschrikkelijker is, namelijk wat daarop volgt: een zekere priester daalde die weg af en komende, zag hij hem en ging tegenover hem voorbij. Om welke redenen dan ook, dat wordt niet vermeld. Hij zal misschien wel zijn redenen, wie weet ook wel min of meer geldige redenen gehad hebben… – doet er niet toe. Maar hij hem ziende (!) ging hij tegenover hem voorbij. En op dat ‘zien’ moet u letten, want dat woord wordt nog twee keer herhaald. En dan, ja, nu is hij verloren… Nee, daar komt nog één, een ander, nog één ‘desgelijks’. Zo begint dat vers: ‘Desgelijks een Leviet.’ Als hij kwam op die plaats en hem zag, ging hij tegenover hem voorbij. En dat woord uit de Statenvertaling ‘desgelijks’, precies eender, evenzo, dat heeft betrekking op heel dat gedrag van die Leviet. De Nieuwe Vertaling heeft hier vertaald: ‘Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij.’ Maar daar is het woord ‘evenzo’ teveel verbonden uitsluitend met ‘ging ook een Leviet langs die plaats’. ‘Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats en hij zag hem;’ maar dat ‘evenzo’ dat ‘desgelijks’ strekt zich uit over héél zijn gedrag: desgelijks een Leviet, hem ziende, komende en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij. Ja, waarom Jezus in die kleine geschiedenis zo’n tweede figuur laat voorbijgaan, zo’n volgeling… – die priester is niet alleen gebleven maar heeft een volgeling die desgelijks handelde. En waarom nu Jezus die priester gevolgd laat worden door die Leviet die desgelijks handelde, dat zullen we straks wel horen bij het einde van de geschiedenis. Het gaat dan verder: ‘Maar een zekere Samaritaan, reizende, kwam langs hem en hem ziende werd innerlijk met ontferming bewogen’. En in het Grieks staat er dan een werkwoord: ‘hij werd innerlijk met ontferming bewogen’, splangnistè. En dat moet je volledig met ‘innerlijk met ontferming bewogen worden’ weergeven. Het komt in de synoptische evangeliën twaalf keer voor. Drie keer in een gelijkenis. U kent de gelijkenis van de verloren zoon: de vader, toelopende viel hij hem om de hals en kuste hem innerlijk met ontferming bewogen. En in Matteüs 18 die heer die afrekening wilde houden met zijn dienstknechten en als die, als de knecht smeekt: ‘… wees lankmoedig over mij en ik zal u alles…’ – en die heer van die knecht innerlijk met ontferming bewogen, heeft hem vergeven en hem vrijgelaten. En dan laat ik u nog een tekst horen. Bij alle andere teksten heeft dit ‘innerlijk met ontferming bewogen zijn’ betrekking op Jezus: ‘… de schare ziende werd Hij innerlijk met ontferming bewogen…’, omdat ze waren zoals ze waren: ‘… voortgejaagd en afgemat als schapen die geen herder hebben.’ In|20|nerlijk met ontferming bewogen, dat wil zeggen: met heel zijn binnenste raakt hij in beroering. Hij is er beroerd van, innerlijk beroerd. Splangnistè, dat betekent eigenlijk alle inwendige delen: hart, longen, lever, milt, heel je binnenste, innerlijk beroerd. En dan gaat het maar niet om een gevoel, slechts een gevoel van medelijden. Want ach, u begrijpt wel, daar heb je uiteindelijk ook niets aan: slechts gevoel, slechts wat tranen en ontsteltenis. Ziet u, dan gebeurt er niets! Telkens, overal waar dat woord voorkomt, en zo ook hier in deze tekst, daar gebeurt iets. Vanuit dit innerlijk met ontferming bewogen zijn, wordt er gehandeld. Hoor maar wat er volgt: ‘… innerlijk met ontferming bewogen was hij, en hij liep op hem toe en verbond zijn wonden, goot daarin olie en wijn, en hief hem op zijn eigen beest, en voerde hem in de herberg en verzorgde hem, en dan de andere dag weggaande langde hij twee penningen uit en zeide tegen de waard: Draag zorg voor hem, en wat het meer moet kosten dat zal ik u betalen als ik wederkom.’ U begrijpt: dat is overvloedig, helemaal tot het helemaal is volbracht, het een na het ander: liep toe, verbond zijn wonden, goot wijn, hief hem op, voerde hem naar de herberg, verzorgde hem, langde penningen, draagt zorg. Dat alles komt allemaal voort uit dat ene innerlijk met ontfenning bewogen zijn. Dat opus internum, daar begint het, daar heeft het zijn oorsprong, in dat innerlijk. Maar dat innerlijke dat blijft niet slechts innerlijk, dat wordt iets naar buiten toe, een opus ad extra, iets dat naar buiten toe effectief wordt gerealiseerd tot het helemaal is volbracht. En dan vraagt Jezus aan die wetgeleerde: ‘Wie denkt u de naaste geweest te zijn van hem die daar in de handen van de rovers was gevallen?’ En prompt antwoordt hij kort: ‘Wie hem barmhartigheid heeft gedaan!’ En met dat ene woord ‘die hem barmhartigheid heeft gedaan’, daarin wordt dan weer kort samengevat al wat hij deed: op hem toelopen, zijn wonden verbinden, giet daarin olie en wijn, heft hem op zijn dier, voert hem in de herberg, hij verzorgde hem, weggaande en langde …, dat alles: die hem barmhartigheid deed. En dan is ook zo aardig dat kleine trekje dat van deze zakenman, want dat zal hij toch wel geweest zijn, deze Samaritaan, een zakenman? Maar nu moet hij zijn zakenreis onderbreken. Dat komt plotseling op het tweede plan. Hij is nu even niet slechts zakenman. Dat is hij ook, en dat zal hij weer zijn, maar hij is nu de nááste, van hem die daar in de handen van de rovers is gevallen. U begrijpt, het gaat hier eigenlijk om een incident. Het is iets incidenteels, het valt er zomaar in, en plotseling wordt zijn hele reis onderbroken. Hier kan hij niet aan voorbij, dit houdt hem vast. Hier moet hij |21| nu zijn, hij kan met anders dan de naaste wezen. En toch is hij hier ook nog de zakenman, want niemand kan zien hoe erg het is, het kan toch nog wel meevallen en daarom langde hij twee penningen uit en zeide tot de waard: Nou ja, wat het dan meer mag kosten, dat krijg je wel wanneer ik wederkom… Hij komt daar dus regelmatig, dat is goed bekeken, want als hij natuurlijk de volgende keer nu vier of vijf penningen had gegeven, en hij zou de volgende keer gekomen zijn en hij zou gevraagd hebben: En wat kostte het nou? Ja, dan heeft het natuurlijk ook vier of vijf penningen gekost! Daar kunt u zeker van zijn, tenminste die kans is zeer groot. Ja, hij kent zijn mensen, zo kennen we elkaar, dat hoort ook tot de liefde die niet ongeschiktelijk handelt, begrijpt u wel. Die man laat zich niet gaan in zijn gevoelens, hij blijft, ook als hij barmhartigheid doet, deze zakenman.

Wanneer Jezus deze kleine geschiedenis heeft verteld, vraagt hij aan die wetgeleerde: ‘Wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn van hem die onder de rovers gevallen was?’ En prompt heeft het antwoord geluid: ‘Die hem barmhartigheid deed.’ Met een oudtestamentische uitdrukking alweer, want barmhartigheid doe je! Barmhartigheid die je niet doet, is geen barmhartigheid. In het Hebreeuws is dat: asa cheset. Je doet, wederzijds, elkaar cheset. Dat wil zeggen: concreet solidair zijn met die ander in zijn nood en het voor hem opnemen en hem niet aan zijn lot overlaten. Ook daar heeft het bijbels Hebreeuws een apart woord voor dat dan de Septuaginta en dus ook het Nieuwe Testament weergeeft met: barmhartigheid. Dat wil zeggen: chesetdoen! Dat wil zeggen: met die ander solidair zijn; doen wat je aan hem te doen hebt. Hem bijstand bieden, het voor hem opnemen. En hem niet aan zijn lot overlaten. ‘Die hem barmhartigheid deed…’ Maar, broeders en zusters, heeft nu die wetgeleerde eigenlijk wel een antwoord gekregen op de vraag die hij had gesteld? Hij had immers gevraagd: ‘Wie is mijn naaste?’ En nu heeft Jezus, ja toch wel opzettelijk, nee, niet een heel andere vraag daarvoor in de plaats gesteld, maar hij heeft die vraag van die wetgeleerde toch wel in een heel bepaalde richting omgebogen. ‘Wie is mijn naaste?’, dat gaat nu in dat kleine verhaal van Jezus betekenen: ‘Wie is het, die als ik radicaal hulpbehoevend ben, als ik niet meer kan, als ik niet meer overeind kan, als ik niet meer verder kan, als ik ben vastgebonden, als ik het niet meer weet, als ik in verwarring ben, hulpeloos en radeloos, wie zal dan mij niet aan mijn lot overlaten en niet aan mijn ellende voorbijgaan? Wie zal mij dan niet laten liggen? Wie zal zich over mijn heen buigen en zijn olie en wijn in de wonden gieten die mij geslagen |22| zijn? Wie zal uit al die ellende mij oprichten, mij opheffen en mij terechtbrengen en thuis brengen? Wat Jezus doet, dat is eigenlijk die wetgeleerde dáár neerleggen, in die radicale hulpeloosheid en in die reddeloze verlorenheid. Die situatie moet hij kennen, want alleen vanuit die situatie kan de vraag ‘Wie is mijn naaste?’ zakelijk worden beantwoord. Wie is mijn naaste? Wie is de naaste geweest, dunkt u? Van die man, die daar in de handen van de rovers is gevallen? ‘Wie is mijn naaste?’ wil zeggen: wie is het die zo mij barmhartigheid doet? Kennen we hem? Is hij het? 

Wie is mijn naaste?

Het evangelie is niet anders dan louter antwoord op deze vraag. Het verkondigt ons Jezus Christus die u en mij niet laat liggen. Die aan u en aan mij niet voorbijgaat, die u en mij niet vergeet. ‘Heer, gedenk mijner in Uw koninkrijk!’ Hij zal u en mij gedachtig wezen. Hij is het die gestorven is, opdat wij leven zouden. Hij is het, gelijk de apostel Paulus zegt: ‘Zie, dat is de genade van de Heer Jezus dat, terwijl hij rijk was, is arm geworden om uwentwil, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.’ Hij is het die zich voor ons in het gericht van God heeft gesteld, opdat wij in het gericht van God vrijgesproken zouden worden. Ja, daar begint Lucas al mee, als hij ons het kerstevangelie laat horen: ‘u is beden geboren de Redder, Christus de Heer.’ En dan is daar in die stal niets anders dan onze ellende. In doeken gewikkeld en gelegd in een kribbe. Dat zal u het teken zijn, daar zouden ze het nou nooit gezocht hebben! Maar als je daar ergens een kind ziet liggen in Bethlehem, in zulke ellendige omstandigheden, in doeken gewikkeld en in een kribbe gelegd, dan, zo wordt hun gezegd, dan zul je Hem daaraan kunnen herkennen. In die ellende. Daar in die kribbe en in die stal is niets anders dan onze ellende, maar tegelijk horen we dat de engel des Heren bij die herders stond, en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen. Zij staan in de gloed van de heerlijkheid des Heren, want Hij heeft hun ellende tot de Zijne gemaakt. Innerlijk met ontferming bewogen was Hij als Hij de schare zag, omdat ze waren voortgejaagd en afgemat als schapen die geen herder hebben. Maar Hij zal Israëls herder zijn en Hij zal hen zoeken totdat Hij hen heeft gevonden. Hij heeft, innerlijk met ontferming bewogen, al hun ellende tot de Zijne gemaakt. Wie is mijn naaste? |23|

Heeft die wetgeleerde een antwoord op zijn vraag? Ja, hij heeft een antwoord. Maar heeft hij het verstaan? ‘Ik ben het die tot u spreek,’ dat is eigenlijk wat Jezus zegt. Jij gaat niet verloren en jij hebt een naaste en die doet barmhartigheid, ook aan jou. En die gaat ook aan jou niet voorbij. En dan is het antwoord: ‘Gaat gij heen en doe desgelijks!’ Nu begrijpen we waarom Jezus in die kleine geschiedenis die Hij vertelde, de priester gevolgd liet worden door de Leviet, die desgelijks handelde. Desgelijks die priester en desgelijks de Leviet. En nu is daar die barmhartige Samaritaan en die heeft barmhartigheid gedaan. In die situatie is een tweede die desgelijks handelt niet nodig. En toch wil nu ook die barmhartige Samaritaan niet alleen blijven, maar een volgeling hebben. En wie anders kan dat zijn dan jij: ga jij dan heen en doe jij desgelijks. Wie het evangelie hoort, zal ook de wet verstaan. En we zullen de wet verstaan door hem die de wet beeft vervuld. En in onze vervulling van de wet zal dan het goede werk der dankbaarheid geschieden. Wat het evangelie ons doet horen over deze barmhartige Samaritaan, over hem die ons barmhartigheid toont, ja tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel aan bet hout des kruises, toen Hij riep: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ Opdat wij tot God genomen en nimmer meer verlaten zouden zijn. Zo radicaal, afdoende heeft Hij ons barmhartigheid gedaan. Daar leven we van. Als we dat niet weten, als we Hem niet kennen, als die vraag ‘Wie is mijn naaste?’ zo niet beantwoord is, hoe kunnen we dan in deze wereld leven? Zonder dit Goddelijke incident? Dit incidentele, midden in al onze bedrijvigheid… 

De ingenieur is bezig met constructies, de architect ontwerpt een gebouw, de mensen van de SER die zijn bezig met prognoses over het conjunctuurverloop van onze economie. Planologen zijn bezig met plannen, de sportlui doen niet anders dan trainen en trainen om hun prestaties op te voeren. Ja, dat is allemaal gaande en als u dan straks weer weggaat, wij allemaal, dan zijn wij er weer in opgenomen. Wij zijn volop bezig, bezig zijn we allemaal. Maar daar dwars doorheen, telkens opnieuw, incidenteel, als onderbreking, als heilzame onderbreking, laten we alles liggen, komt alles tot stilstand omdat daar jij mij, ik jou nodig heb. Dat daar barmhartigheid wordt gedaan, dat is steeds weer juist vanwege dit Goddelijk incident. Onze hele bedrijvigheid is demonisch en zinloos en verderfelijk als daar niet middenin dit incident telkens geschiedt. Maar als dat gebeurt, en het gebeurt, het is geschied, Hij is in ons midden getreden en I-lij is met ons al de dagen, Hij die ons barmhartigheid doet. Als dwars door alles heen dit Godde|24|lijk incident geschiedt, dan alleen heeft ook al onze bedrijvigheid zin, en kan het alleen heilzaam zijn en een toekomst des heils voorbereiden. Lof zij u Christus.

Amen.


Bibliografische gegevens
  • ‘Wie is mijn naaste? Preek naar aanleiding van Lucas 10:25–37’, in: N.T. Bakker, W. Klouwen, et al. (red.), De noodzaak van de preek (Om het levende Woord 10; Kampen: Kok, 2000), 9-24 [ISBN 978-90-435-0286-3]

Over de auteur

Frans Breukelman

Frans Breukelman (1916-1993) was predikant in Ritthem en Simonshaven, werd later wetenschappelijk medewerker aan de theologische faculteit van de UvA en staat bekend als inspirator van de Amsterdamse School in de theologie

Plaats een reactie